Een islam die scheiding van geloof en staat erkent?
Sommige westerlingen gaan er vanuit dat er vanzelf een seculaire islam zal ontstaan, een islam die de scheiding van geloof (islam kent geen kerk zoals het christendom) en staat erkent, respecteert en handhaaft. Deze toekomstige islam ziet het geloof als iets dat zich uitsluitend in het privé domein afspeelt, terwijl het publieke domein (overheid) zich ver houdt van elke godsdienstige voorkeur of begunstiging. Dit is de situatie die we sinds ongeveer twee eeuwen als normaal ervaren in het westen, maar die in de islamitische landen bijna geheel afwezig is.
De historische reden voor dit verschil met het westen ligt in de tawhid, misschien wel het meest centrale leerstuk van de islam. De tawhid stelt dat er eenheid bestaat tussen de schepper en de schepping, tot in elk detail. Sinds de periode dat de uitleg van Ashari (ca. 900) dominant is geworden in de islam, moet de tawhid letterlijk worden opgevat. Elke handeling en gebeurtenis is direct afhankelijk van god. Natuurwetten zijn zinloze begrippen binnen dit geheel, evenals natuur zelf. Als god wil dat de dingen anders lopen, dan regelt hij dat volgens zijn wil. Elke andere uitleg van koranteksten, bijvoorbeeld ze opvatten als beeldspraak, is een stap in de richting van afvalligheid.
Uit de tawhid volgt dat elke moslim de verplichting heeft zijn leven in te richten naar het voorbeeld van de profeet en wel tot in elk detail. Alleen al door zijn leven te islamiseren, bereikt een moslim ook dat zijn omgeving uiteindelijk deelneemt aan het proces van islamisering. Er ontstaat geleidelijk een islamitische staat. Vanaf het eerste begin van de islam (632) werden de gelovigen geleid door een kalief, letterlijk vertegenwoordiger van de profeet. De eerste kaliefen waren vrienden en vroege aanhangers van de profeet en ontleenden hun gezag aan die positie. Ze hadden geen godsdienstig gezag en verwezen desgevraagd naar teksten van de koran en de profeet, zodat in deze periode de vorming van de soenna begon. Latere kaliefen hadden wel belangstelling voor godsdienstige vraagstukken, maar hadden nooit hetzelfde gezag in dat opzicht dat de paus in het christendom wel genoot. Alleen in Iran ontstond er een soort clerus.
In het westen was de situatie heel anders. Het christendom begon als een godsdienst van vooral eenvoudige mensen. In de tweede eeuw werd het opgetuigd met neoplatonisch gedachtegoed zodat het aantrekkelijker werd voor mensen met meer ontwikkeling. Daarna duurde het nog lang voordat het erkenning kreeg van de keizer en staatsgodsdienst werd. Kerk en staat onderhielden nauwe betrekkingen, maar stonden vaak ook vijandig tegen over elkaar. De investituurstrijd en de opkomst van de steden in Europa leidde tot een verwijdering ten opzichte van de kerk. Dit proces kenmerkte zich o.a. door de opkomst van het protestantisme, de godsdienstoorlogen en de Verlichting. De Franse Revolutie bezegelde de uitkomst met de Verklaring van de Universele rechten van de Mens en de invoering van de scheiding van kerk en staat.
Tegelijkertijd had zich in de islamitische wereld een heel andere ontwikkeling voltrokken. Na het optreden van Ashari en Gazali (ca. 1100) was de belangstelling voor rationele kennis en speculatieve wetenschappen geleidelijk afgenomen. Terwijl in het westen de nationale staten tot onderlinge wedijver leidde, met als belangrijkste verschijnselen economische en wetenschappelijke ontwikkeling, veroorzaakten verdeeldheid in de islamitische wereld juist verstarring en herhaling van bestaande inzichten. Toen het Turkse Rijk de meeste moslims weer verenigde onder één gezag (rond 1517), kwam daar geen verandering in. Wetenschap werd alleen toegestaan als ze de islam kon dienen, zoals het gebruik van kannonnen in de oorlog en de astronomie voor het bepalen van begin en eind van de ramadan. In dezelfde periode dat de boekdrukkunst de verspreiding van kennis in het westen enorm vergrootte, verboden de Osmanen het drukken van boeken in hun rijk.
Zelfs de inval van Napoleon in Egypte (1798) en de geleidelijke ineenstorting van het Turkse Rijk in de 19de eeuw bracht geen verandering in het denken van moslims. Het verval werd in het algemeen toegeschreven aan te weinig vroomheid of aan westerse samenzweringen. In Egypte en Turkije deed men een aantal pogingen tot het invoeren van hervormingen. Het betrof dan het leger, de industrie, de economische organisatie, de infrastructuur en de staatsvorm, zoals de grondwet en het parlement. In alle gevallen ging het om uiterlijke zaken en de invoering ervan had altijd als doel om de invloed en macht van de moslims te vergroten, zodat men de westerse invloeden buiten de deur kon houden. Het meest wezenlijke, de islamitische manier van denken en beleven, moest ten koste van alles onaangetast blijven. Deze benadering vindt men terug bij alle moslim denkers, vanaf Tamiyya (14de eeuw), Afghani, Abduh (19de eeuw), Ridha, al-Banna (20ste eeuw), en vele anderen.
Denkers die de islam dezelfde plaats willen toekennen als het christendom heeft in het westen, zijn praktisch afwezig in de islamitische wereld. Als ze zich laten horen, dan worden ze al snel gemarginaliseerd, vervolgd, veroordeeld wegens afvalligheid (Taha Hoessein) of gedwongen te vluchten (Nasr Abu Zayd) of gedwongen hun uitlatingen te herroepen (al-Kimmi). Het is niet waarschijnlijk dat ze veel sympathie onder de bevolking genieten, voor zover hun ideeën al bekend zijn.
Samenvattend zie ik weinig aanleiding om te veronderstellen dat er zoiets als een seculaire denkwijze aan het ontstaan is in de islamitische wereld. De historische ontwikkeling kan een dergelijke veronderstelling niet ondersteunen. Ook in de afgelopen eeuw hebben hervormers altijd de wind tegen gehad. Nergens heeft zich een progressieve revolutie voorgedaan. Nergens is er een soort Islamitische Verlichting ontstaan, wel een soort Zwarte Renaissance in Iran (1979). Als er al ooit een islam zal komen die staat en geloof kan scheiden, dan is het onduidelijk uit welke denkers en denkstromingen deze zal voortkomen.
Puzzels