Jezus zegt aan Petrus: Gij zijt de rots en op deze steenrots zal ik Mijn Kerk bouwen.
Het gesprek ging over wie Jezus werkelijk was.15 "En jullie dan?" vroeg Hij. "Wat denken jullie over Mij? Wie ben Ik?" 16 Simon Petrus zei: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God." 17 "Gelukkig ben jij, Simon, zoon van Jona! Mijn hemelse Vader heeft je dit persoonlijk duidelijk gemaakt. Je hebt dit niet van een mens. 18 Jij bent Petrus. Op deze rots zal Ik mijn Gemeente bouwen. De poorten van het dodenrijk zullen nooit macht over haar krijgen. 19 Ik zal je de sleutels geven van het Koninkrijk van de hemelen. De deuren die jij op aarde sluit, zullen in de hemel gesloten zijn. En de deuren die jij op aarde opent, zullen in de hemel geopend zijn." (Math 16:15-19)
Petrus zelf zegt dat de gemeente op Jezus gebouwd is.4 Ga dus naar Christus toe. Hij is de levende steen waarop God Zijn bouwwerk neerzet. Hoewel de mensen Hem hebben afgewezen, is Hij voor God zo kostbaar dat Hij Hem uit alle anderen heeft uitgekozen. 5 U moet zich door God laten gebruiken als levende stenen, waarmee Hij Zijn geestelijk huis bouwt. En dat niet alleen, u bent ook de heilige priesters die door Jezus Christus zo veranderd werden, dat zij God geestelijke offers kunnen brengen, die voor Hem aanvaardbaar zijn. 6 In de Boeken staat het zo: "Ik heb een kostbare steen uitgekozen, die Ik in Sion neerleg en waarop mijn huis gebouwd zal worden. Wie vol vertrouwen op hem bouwt, zal niet bedrogen uitkomen." 7 Voor u die op Hem vertrouwt, is Hij kostbaar; voor mensen die niets van Hem willen weten, geldt wat in de Boeken staat: "De steen die door de bouwlieden afgekeurd werd, is de belangrijkste geworden, een echte hoeksteen." Zo is Christus niet alleen de onmisbare hoeksteen geworden, Hij is ook de steen waarover men struikelt en waaraan men zich stoot. 8 Dat laatste geldt alleen voor de mensen die niet naar Hem willen luisteren, die weigeren Hem te gehoorzamen. Het ligt dus voor de hand dat zij zullen struikelen. (1 Petrus 2:4-8)
Paulus bevestigt dit.U staat zo vast als een huis op de fundering van de apostelen en profeten. Maar de belangrijkste steen, de hoeksteen, is Jezus Christus Zelf. (Efz 2:20)
Er wordt in de brieven en de evangeliën geen melding gemaakt dat Petrus een voorname plaats innam onder de apostelen. Nog opmerkelijker, in het evangelie geschreven door Markus, iemand die door Petrus als zijn zoon (in de geest) wordt aangemerkt (1 Petrus 5:13), komen deze woorden van Jezus niet eens voor. Je mag toch aannemen dat indien deze woorden zo'n belangrijke plaats hadden toegekend aan Petrus dit tenminste vermeld zou worden?
Gegeven dit alles kan ik (voor mijzelf) niet anders concluderen dan dat er geen bijbelse basis is voor de paus.
Puzzels