@ theoriegeladen:
Dat is inderdaad min of meer waar ik naar toe wilde. Het probleem van het begin. Hoe kan ik mijn denken zo doen dat ik op een juiste wijze te werk ga als de syntax gebaseerd moet zijn op de semantiek en de semantiek op de syntax? Daarnaast vroeg ik me af hoe jij deze zin bedoelde:
In de syntaxis is de afwezige gewoon aanwezig lijkt het?
p.s. Ik hoop dat je je niet afgedaan voelt door het lange antwoord wat ik Jeroen geef. Ik heb het idee dat jij een groot referentie kader hebt in deze en dat is iets wat Jeroen ontbeerd.
@ Jeroen Bouterse:
Voor iemand die zegt dat ie niet zo goed weet of ie wel snapt waar dit topic over gaat weet je wondermooi te zeggen wat je jezelf afvraagt en waar Tarski naartoe wijst. Laat ik jou van een paar antwoorden (en daarmee van een referentie kader) voorzien in de hoop dat jemij daarna de weg kunt wijzen.
Wat ik niet goed begrijp, is hoe een theorie die schijnbaar bedoeld is om een waarheidscriterium te leveren voor uitspraken (dus een antwoord op de vraag wanneer een uitspraak waar is, i.e. correspondeert met de realiteit), zich lijkt te kunnen beroepen óp de relatie tussen taal en werkelijkheid.
Dat is inderdaad een puzzel. Het idee is dat woorden een beeld weergeven. Jet woord bal is bijvoorbeeld een rond object van onbepaalde afmetingen. Het woord voetbal is al veel meer bepaald, alhoewel er nog wel variatie in kan zitten. Mijn zwart witte voetbal (als ik maar 1 zwart witte voetbal zou bezitten) is absoluut bepalend. Dit mede door de afspraken omtrend het woord mijn. Zo zien we dat alle woorden naar iets verwijzen. Soms naar een object, soms naar een toestand van het object (de kleur of dat de bal van mij is). Op die manier zouden uitspraken getoetst kunnen worden aan de werkelijkheid. Want we controleren de waarheid van een uitspraak door te kijken naar de werkelijkhied. De heer
Gottlob Frege is hier druk mee in de weer geweest.
Ik kan me goed voorstellen dat er over nagedacht moet worden hoe taal en realiteit zich verhouden: die verhouding zal niet simpelweg één op één zijn, vooral omdat taal al een conceptueel raamwerk veronderstelt waar de werkelijkheid zelf dat niet doet. De verhouding zal dus bovendien vanzelf problematisch zijn; hoe vertalen we de ruwe realiteit in hanteerbare concepten?
Hier zeg je een waar woord. Het is gebaseerd op verschillende soorten afspraken.
Paul Grice splitst deze twee eigenlijk op in twee delen:
- Constititive Rules: Regels die ene bepaald gebied "afbakenen" (Als deze regels wegvallen is er niet meer te spreken van bijv. verkeer).
- Regulative Rules: Regels die bestaan binnen een bepaalde cntext (Een heer zijn in het verkeer bijvoorbeeld).
Maar "'Gras is groen' is waar dan en slechts dan als gras groen is" geeft op díe vraag geen antwoord, neem ik aan, omdat dat waarheidscriterium niet los lijkt te kunnen komen van de talige concepten. Ik zou ook niet weten hoe dat wel zou kunnen: als iedere talige uiting per definitie gebruik maakt van een conceptueel kader, kan ook een 'meta-uitspraak' over de verhouding tussen concept en werkelijkheid daar in principe niet van loskomen, lijkt me.
In het voorbeeld wat we hanteren: "'Gras is groen' is waar dan en slechts dan als gras groen is" is het zo dat datgene wat tussen aanhalingstekens staat op een niet natuurlijke manier gebruikt wordt. Paul Grice geeft het verschil tussen natuurlijke en niet natuurlijke betekenis dat we bij een niet natuurlijke betekenis afspraken moeten hebben gemaakt om te bepalen wat we ermee bedoelen. Ons voorbeeld an sich is daarmee tussen haakjes komen te staan omdat we het als object hanteren en niet meer simpelweg zeggen. Binnen het voorbeeld zelf is zo'n zelfde onderscheid te maken. "Gras is groen" is namelijk als object gebruikt en het tweede deel is het deel waarmee we refereren aan de werkelijkheid. We hebben daarmee een syntactische structuur gechapen die refereert aan de werkelijkheid. De woorden: "Gras is groen" zijn namelijk waar dan en slechts dan als we in de werkelijkheid waar kunnen nemen dat gras groen is. Op deze wijze overstijgt het de taal an sich. Overigens heb je absoluut een punt als je zegt dat een woord een woord is en altijd onderhevig blijft aan onze afspraken en de werkelijkheid aan de werkelijkheid.
Overigens haal je een heel ander punt aan van wat
Tarski bestudeerd heeft en dat zijn de idee"en object taal en meta taal. De object taal is in zijn gedachten gelijk aan de metataal; behalve dan dat de metataal woorden moet bevatten om de objecttaal mee te beoordelen op bijvoorbeeld waar en onwaar. In die zin overstijgt ons voorbeeld inderdaad de taal niet en blijft dit slechts een methode om taal te bestuderen.
Kort gezegd denk ik dat ik me hier wat stuntelig probeer af te vragen hoe taalgebruikers meta-uitspraken over taal en werkelijkheid kunnen doen, m.a.w. hoe welke waarheidstheorie dan ook kan claimen de relatie met de 'taalloze' werkelijkheid te doorgronden. Kan een van jullie daar misschien zijn licht over laten schijnen, of blijkt uit mijn vraag dat ik al niet eens de klok heb horen luiden, laat staan kan beginnen met het zoeken naar de klepel?
Je stelt jezelf in mijn ogen een aantal bijzonder waardevolle vragen. Ik hoop dat je een klein beetje tijd zult nemen om de links die ik heb geplaatst te bestuderen. Als er onduidelijkheden in zitten begin er dan een topic over. Het onderwerp spreekt me zeer aan en ik zou er graag van gedachten over willen wisselen.
Overigens is deze vraag min of meer de reden van het starten van dit topic. Want hoe kunnen we onszelf baseren op iets als we geen begin, eind of andere ijkpunten kunnen vinden?
Men occasionally stumble over the truth, but most of them pick themselves up and hurry off as if nothing ever happened.
~Sir Winston Churchill