Hallo ik moet de stelling van Snelius descartes bewijzen met behulp van het principe van fermat die zegt dat de optiche weglengte extremaal hoeft te zijn.
hiervoor tekende ik een figuur met i: de hoek tussen de invallende straal en de normaal en r de doorgelaten staal tgov de normaal.
dan bekwam ik 2 driekhoeken (de schuine zijde is de invallende straal (d1), de hoogte wordt a genaamd en de zijde op het invallend vlak wordt x genaamd(deze driehoek is gelegen tussen de invallende straal en het invallend vlak) voor de driehoek van de doorgelaten straal is dit respectievelijk d2, b en d - x (waarbij d de afstand evenwijdig met het vlak waarop de invallende straal invald. dit begint van de eerste driehoek naar de tweede vandaar dat die zijde d -x is.
(hopelijk kan u het nog voorstellen)
dan krijg ik het volgende: de optische weglengte= n1d1 +n2d2 = n1 (wortel a²+x²)+n2 (wortel(b²+(d-x)²) (stelling van patagoras)
dan heb ik gehoord dat d(OW)/dx = 0 moet zijn om de voorwaarde van fermat te voldoen maar dit versta ik niet. WAAROM? Hopelijk weet u het antwoord.
Puzzels