Psychoanalyse en cultuur 16 – Van Kierkegaard tot Monty Python

Categorie: Psychologie
Verlanglijst Delen
Deel je boek
Deel je boek
Deel op social media

📚 Samenvatting boek:

De cartoon op de cover van deze bundel, getekend door Gummbah, toont een figuur die grinnikt om het woord ‘humor’ zelf. In contactadvertenties is de vraag naar een partner met een (goed) ‘gevoel voor humor’ vaak aanwezig, alsof we allemaal hetzelfde begrijpen onder het begrip humor. Meestal bedoelen we iemand met wie we kunnen lachen, maar zoals de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer aangaf, kan humor ook ‘ernst verborgen achter scherts’ zijn. Deze bundel onderzoekt, beginnend bij Sigmund Freuds werk “De grap en zijn relatie tot het onbewuste” uit 1905, de gelaagdheid van humor. Er wordt gekeken naar verschillende denkers, cultuurhistorici en cabaretiers. Annette van der Elst bespreekt de ironie van Søren Kierkegaard, Léon Hanssen analyseert Johan Huizinga’s werk, Marc De Kesel legt via Kant, Bataille en Freud de denkbeelden van Jacques Lacan uit, en Giselinde Kuipers onderzoekt de retoriek van (rechtse) politici. Ivo Nieuwenhuis beschrijft een reeks humorgerelateerde schandalen in Nederland, Yasco Horsman bestudeert de polymorfe perverse aard van stripfiguren, Mette Gieskes ontleedt de theatrale optredens van Moniek Toebosch, en Wouter Hessels bekijkt filmkomedies die spotten met het nazisme. Sjef Houppermans maakt een onderscheid tussen Noord- en Zuid-Nederlandse humor en geeft een overzicht van verschillende soorten lachen bij Marcel Proust. Peter Verstraten reflecteert op de speelse ‘onlogische logica’ van Theo Maassen, Jiskefet en Gummbah, evenals het absurdistische van Monty Python.

Taal : Nederlands