De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering
📚 Samenvatting boek:
Binnen de Europese Unie is het proces van het uitleveren van verdachten en veroordeelden tussen lidstaten vervangen door een systeem van overlevering tussen rechterlijke instanties, gebaseerd op het Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is een cruciaal middel om te voorkomen dat het vrij verkeer en het ontbreken van interne grenzen binnen de EU leiden tot het ontlopen van berechting en straf door verdachten en veroordeelden. Het EAB steunt op het principe van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen. Dit houdt in dat de rechterlijke autoriteit van de ene lidstaat de strafrechtelijke beslissingen van een andere lidstaat moet erkennen en uitvoeren, zelfs als een vergelijkbare beslissing in de eigen nationale context niet mogelijk zou zijn geweest. Dit principe beperkt in grote mate de gronden waarop overlevering geweigerd kan worden. Het EAB-systeem is ontworpen om de overdracht van verdachten en veroordeelden te vereenvoudigen en te versnellen door traditionele gronden voor weigering van uitlevering te schrappen of te beperken. Deze wijzigingen zijn mogelijk dankzij het hoge vertrouwen tussen de lidstaten. Toch bevat het overleveringsrecht, net als het uitleveringsrecht, diverse dwingende en optionele weigeringsgronden en enkele optionele garanties. Dit roept de vraag op of overlevering wezenlijk verschilt van uitlevering.
Om deze kwestie te onderzoeken, maakt dit proefschrift een systematische vergelijking tussen de materiële weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, waarbij de overeenkomsten en verschillen worden beoordeeld in het kader van het principe van wederzijdse erkenning. Deze evaluatie is gebaseerd op het “verbazingscriterium”: een overeenkomst of verschil is opmerkelijk als het niet strookt met het principe van wederzijdse erkenning en niet direct kan worden verklaard door de grenzen van dat principe. Het proefschrift biedt een actuele analyse van het materiële en procesrechtelijke overleveringsrecht, constateert tekortkomingen in de manier waarop Nederland het Kaderbesluit betreffende het EAB heeft uitgevoerd, en bespreekt mogelijke oplossingen voor deze tekortkomingen. Tot slot geeft het proefschrift aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het overleveringsrecht op basis van wederzijdse erkenning.