De Delftse pottenbakkersnering in de gouden eeuw
📚 Samenvatting boek:
In de jaren vijftig van de zestiende eeuw runde ‘Trijn pottebackers’ een pottenbakkerij net buiten de Delftse Ketelpoort. Het aantal pottenbakkerijen in Delft groeide snel van twee in 1575 naar vier in 1600, en rond 1630 bereikte deze sector zijn hoogtepunt met zeven pottenbakkerijen. De pottenbakkers vervaardigden diverse soorten aardewerk voor de lokale markt: kookpotten op drie poten (met één of twee oren), tuit-, druip-, water- en mospotten, testen, lollepotten, vergieten, braadpannen, deksels, kneppelen en aardbeienpotten. Dit aardewerk was voornamelijk bedoeld voor koken, eten en drinken. Vanwege de kleur en de meest voorkomende vorm (kookpot), wordt dit type aardewerk aangeduid als rood pottengoed. Marie-Cornélie Roodenburg geeft een gedetailleerd en helder beeld van de pottenbakkerswereld in Delft. Ze belicht de organisatie van deze bedrijfstak, de relatie tussen productie en afzetmarkt en de economische en sociale positie van de pottenbakker. Ook de rol van het St. Michielsgilde, waar pottenbakkers lid van moesten zijn, komt aan bod. Haar onderzoek is gebaseerd op archiefbronnen, evenals technieken van pottenbakken, archeologische vondsten, en historische en huidige vakkennis en klimatologische gegevens. De productie van rood pottengoed was ambachtelijk en de eigenaar-pottenbakker werkte samen met zijn gezin. Knechten werden alleen aangenomen als er niet genoeg familieleden beschikbaar waren. Na het overlijden van hun man zetten vrouwen het bedrijf zelfstandig voort. Om extra inkomsten te genereren, werd de warmte van de oven gebruikt om hout, zeil en touw te drogen. De familie Van Bodegem had ook een teerstoof voor het impregneren van touw en zeil. Adriaen Cornelisz. Cater verkocht daarnaast aardewerk en glaswerk van elders en leverde grondstoffen aan de makers van Delfts blauw aardewerk. Zo wisten de meeste pottenbakkers een goed inkomen te verdienen. In de jaren twintig van de zeventiende eeuw verloor de kookpot zijn dubbele functie: mensen begonnen te eten van schotels en borden van Delfts aardewerk of tin. Ook sterker aardewerk uit Bergen op Zoom en keukengerei van niet-keramisch materiaal werden geduchte concurrenten. Ondanks pogingen van het Delftse stadsbestuur om de sector te beschermen, zette de neergang na 1635 definitief in.