Beste,
Ik zit vast op een oefening voor kansberekening. De oefening luidt:
2 vrienden gaan elk 3 keer in dezelfde week naar dezelfde plaats. Hoe groot is dan de kans dat ze elkaar niet zijn tegengekomen? En hoe groot is de kans dat ze elkaar precies 2 keer tegenkwamen?
Ik noemde de twee personen A en B en redeneerde dat de kans dat ze elkaar niet tegenkwamen gelijk is aan de kans dat A er was op voorwaarde dat B er niet was maal de kans dat B er was op voorwaarde dat A er niet was, ik kwam 9/49 uit door deze formule toe te passen P(G1 doorsnede G2) = P(G2) . P(G1|G2). Klopt deze redenering?
Bij de tweede vraag heb ik geen idee hoe ik er aan moet beginnen.
Kan iemand mij helpen aub?
Puzzels