Professor Puntje schreef: ↑wo 26 feb 2020, 18:46
Vandaar dat ik nieuwsgierig ben hoe je redenerend vanuit de ruimtetijd metriek op het zelfde resultaat kunt uitkomen.
Aanzetje (wat voorstellingsvermogen vereist of een tekeningetje maken):
Een auto, lengte 4 meter, heeft z'n eigen stelsel C. De lengte van de auto verandert niet in dat eigen stelsel.
De achterkant staat in het Minkowski-diagram (met lichtkegel onder 45 graden) op x=0 m, de voorkant op x=4 m.
In 'rust' staat de auto stil en valt C samen met A. Wereldlijnen van auto (voor- en achterkant) staan verticaal, ruimte-as van C valt samen met de horizontale x-as.
Nu moeten we de 'boost' opzij zetten, oneindige versnelling kan niet maar belangrijker, staat de redenatie in de weg.
De auto begint een beetje te versnellen. Achterkant evenveel als voorkant, in z'n eigen stelsel C dat in eerste instantie samenvalt met A.
Auto krijgt een zekere snelheid. De wereldlijn van de achterkant buigt af naar rechts, de ruimte-as van C begint een (positieve) hoek met de x-as te maken.
C is niet langer (precies) gelijk aan A, wat gelijktijdig is in C is dat niet meer in A en omgekeerd.
Gelijktijdigheid is voor de auto niet langer de gelijktijdigheid van A.
Wat in C gelijktijdig is voor voor- en achterkant van de auto ziet een waarnemer in A niet langer als gelijktijdig; hij ziet de voorkant wat later versnellen dan de achterkant.
In C blijft de auto even lang, gezien vanuit A wordt hij korter.