Gast schreef: ↑wo 26 mar 2025, 19:23Motief1 zal moeilijk te achterhalen zijn, ..
...
We weten dat er bij een Collatz-rij eigenlijk alleen spannende dingen gebeuren als je bij een oneven getal komt. We splitsen daarom de oneven getallen op in drie categorieen:
\(6 k + 1, 6 k + 3, 6 k + 5 \text{ met } k \in N\)
Fermat1637 wil heel graag naar de vorm
\(6 a + 4\). Bij elke categorie gaan we opzoek naar de eerste voorganger van het oneven getal met die vorm. We beginnen met de eerste categorie:
\(6 k + 1 \rightarrow 12 k + 2 \rightarrow 24 k + 4 = 6 (4 k) + 4\)
We zien dus dat als
\(a\) in
\(6 a + 4\) een viervoud is dat je dan na 2 keer delen door 2 bij een oneven getal bent.
Voor de tweede categorie is het handig om te bedenken dat:
\(6 a + 4 = 1 \mod 3\)
Voor alle voorgangers van
\(6 k + 3\) geldt:
\(2^m (6 k + 3) = 0 \mod 3\)
Hieruit volgt dus dat deze vorm van oneven getal geen voorganger heeft van de gezochte vorm.
Voor de derde categorie geldt:
\(6 k + 5 \rightarrow 12 k + 10 = 6 (2 k + 1) + 4\)
We zien dus dat als
\(a\) in
\(6 a + 4\) een oneven getal is dat je dan na 1 keer delen door 2 bij een oneven getal bent. Als we bedenken dat we de oneven getallen ook kunnen schrijven als
\(4 k + 1 \text{ en }, 4 k + 3 \text{ met } k \in N\) dan zien we dat we nu iets weten over getallen
\(a\) in
\(6 a + 4\) van de vorm
\(4 k, 4 k + 1 \text{ en }, 4 k + 3 \text{ met } k \in N\)
Er is nog maar een vorm van a waar we niet naar gekeken hebben:
\(a = 4 k + 2 \rightarrow 6 a + 4 = 6 (4 k + 2) + 4 = 24 k + 16\)
We merken op dat we dit 2 keer door 2 kunnen delen om te komen tot:
\(6 k + 4\)
Dit heeft weer dezelfde
\(6 x + 4\)-vorm. We weten dus dat een
\(a\) in
\(6 a + 4\) nooit het eerste getal van die vorm kan zijn boven een oneven getal en dus nooit van een van de genoemde categorieen kan zijn.
We zeggen nu dat a een getal is van de eerste categorie. Hiervan weten we dat we deze kunnen delen door 4 om tot een oneven getal te komen. Vervolgens kun je hier de oneven stap van Collatz op toepassen. Het resulterende getal zal van de vorm
\(6 k + 4\)
zijn. Immers:
\(3 (2 k + 1) + 1 = 6 k + 4\)
Dit resulterende getal is of de eerste voorganger van deze vorm boven een oneven getal of niet. In het geval dat dit niet zo is, is het getal dus deelbaar door 4 om tot een nieuw getal van deze vorm te komen waar weer dezelfde overweging voor geldt. Dit gaat door totdat het resulterende getal een eerste voorganger is van een oneven getal.
Dus:
\(a \rightarrow 6 a + 4 \rightarrow \frac{6 a + 4}{4} \rightarrow 3 (\frac{6 a + 4}{4}) + 1 \rightarrow \frac{3 (\frac{6 a + 4}{4}) + 1}{4^m} = 6 b + 4\)
Omschrijven naar b:
\(b = \frac{9 a + 8 - 8 \cdot 4^m}{12 \cdot 4^m}\)
We zeggen nu dat a een getal is van de derde categorie. Hiervan weten we dat we deze kunnen delen door 2 om tot een oneven getal te komen. Dus:
\(a \rightarrow 6 a + 4 \rightarrow \frac{6 a + 4}{2} \rightarrow 3 (\frac{6 a + 4}{2}) + 1 \rightarrow \frac{3 (\frac{6 a + 4}{2}) + 1}{4^m} = 6 b + 4\)
Omschrijven naar b:
\(b = \frac{9 a + 7 - 4 \cdot 4^m}{6 \cdot 4^m}\)
En daarmee is motief1 afgeleid... Hier schieten we natuurlijk niets mee op aangezien het niet uitmaakt of je naar de oneven getallen in de Collatz-rij kijkt of naar de getallen van de vorm
\(6 a + 4\) die direct boven deze oneven getallen liggen. Hopelijk zorgt het posten van deze afleiding er voor dat we ons niet meer laten afleiden door zaken die op geen enkele manier relevant zijn.