Ik zal proberen een goede uitleg te geven

.
Het is inderdaad bij deze oefening belangrijk dat je eigenschappen van logaritmen kent. Als je deze niet gezien hebt, geen probleem, je vindt ze overal op het internet of in cursussen wiskunde.
Je hebt denk ik wel ooit al gehoord (of vroeger geleerd) over logaritmen. Een logaritme heeft een grondtal en een argument. We spreken van log, dit is de Briggse logaritme en iedereen die logaritmen kent weet dat 'log' als grondtal 10 heeft, maar dat wordt gewoon niet geschreven. Net zoals bij ln dat de natuurlijke (of Neperse) logaritme is en als grondtal 'e' heeft, nl. het getal of constante van Euler (die vele toepassingen heeft). De eigenschap die we in dit geval kunnen gebruiken is: log(a^n) = n.log(a). Daarna is het gewoon een kwestie van formules omvormen. Even op een rijtje zetten:
75 = 200(e^(-0,12t))
<-> 75/200 = e^(-0,12t)
<-> log(75/200) = log(e^(-0,12t))
<-> log(75/200) = (-0,12t).log(e)
<-> log(75/200)/log(e) = -0,12t
<-> log(75/200)/(log(e).(-0,12)) = t
Dit linkerlid kan je gewoon invoeren op je TI-84. Lukt je dat? Wat bekom je?
Even terzijde: de eigenschap log(a^n) = n.log(a). Als je het niet zou zien kan het met een voorbeeld.
Bijvoorbeeld:
log(10^2) = log(100)=2
Of log(10^2) = 2.log(10) = 2.1 = 2