HansH, je vroeg: "Waar blijft de impuls in de tussentijd als die behouden moet blijven?" en ook iets in de trant van "geldt behoud dan nog wel als het effect pas later merkbaar is?" Je raakt hier iets aan dat in de algemene relativiteit inderdaad wat subtieler is dan in Newtoniaanse mechanica.
(Wederom is hier een duidelijke systeemdefinitie erg belangrijk om te bepalen wát precies behouden blijft en onder welke voorwaarden.)
Zoals wnvl1 uitlegde, geldt in de algemene relativiteitstheorie het lokale behoud van energie en impuls via de vergelijking:
\(\nabla_\mu T^{\mu\nu} = 0\)
In grote lijnen betekent dit: in elk infinitesimaal volume verdwijnen energie en impuls niet zomaar. Er is geen lokale creatie of vernietiging van energie of impuls in de materievelden.
Er is dus nooit sprake van een 'plotseling' impulsverlies of -creatie op een plaats. Maar dat wil niet zeggen dat actie-reactie tegelijk hoeft te zijn: het effect van een oorzaak verspreidt zich met de lichtsnelheid, dus de reactie komt pas later, precies zoals bij de zon die verdwijnt en de aarde dat pas 8 minuten later merkt. Zoals Flappelap opmerkt zou dat causaliteit overschrijden, waarvan we allemaal weten dat dat niet kan. En je kunt zwaartekrachtsvelden eigenlijk een beetje als golven beschouwen. Niet elke trage veldverandering is natuurlijk een zwaartekrachtsgolf, maar het geheel van zwaartekrachtsinvloed door het universum heen draagt in zekere zin wel een golfachtig karakter.
Impuls wordt tussen oorzaak en gevolg niet ergens ‘opgeslagen’, maar getransporteerd via het veld (ruimtetijdkromming in de ART, of elektromagnetisch veld in EM). In vlakke ruimtetijd zie je dat mooi bij elektromagnetisme: daar zie je dat het veld zelf impuls draagt (bijvoorbeeld straling met stralingsdruk).
Bij ruimtetijdkromming ligt dat subtieler: je kunt niet spreken van een lokale impulsdichtheid van het zwaartekrachtsveld, maar de veldkromming zorgt wél voor het causale transport van impuls tussen verschillende delen van de materie. Het veld "représenteert" de overdracht, zij het niet als een soort opslag of energiereservoir, maar als een meetkundig mechanisme dat de overdracht structureel mogelijk maakt.
Het wordt dus niet ergens opgeslagen, maar causaal doorgegeven via het veld, ook al kunnen we daar geen lokale impulsvector aan toekennen zoals bij EM.
Alleen begrijp ik eerlijk gezegd niet goed waarom het voorbeeld met de vallende niet appel voldoende is:
Je vergelijking met een lift klopt aardig: in een vrij vallend referentiestelsel merk je geen zwaartekracht. Je ziet daar dus geen versnelling of kracht, en de beweging is daar gewoon traagheidsbeweging. In dat frame blijft de impuls van een vallend object dus gelijk. Alleen kun je in dat frame dan ook niet zeggen: “de appel versnelt”, dat is dan niet waar gezien vanuit het stelsel in vrije val.
Misschien helpt het ook om het onderscheid tussen energiebehoud en impulsbehoud nog even scherp te maken.
Je zei ergens dat er bij een vallende appel energiebehoud geldt: van potentieel naar kinetisch. Helemaal juist (voor waarnemers die stilstaan op de grond).
Zodra de appel echter de grond raakt en stilvalt, wordt zijn kinetische energie nul. Die energie is dan omgezet in vervorming, warmte, geluid enzovoorts, maar de appel zelf heeft dan geen kinetische energie meer. Voor impuls geldt dat op de grond er een reactiekracht op de appel komt, en daardoor wordt zijn impuls nul. Hij ligt immers stil.
Maar je verbindt dan ten onrechte aan impulsbehoud van de appel zelf. Die versnelt immers en dus verandert zijn impuls verandert. Alleen voor de appel als afzonderlijk object geldt impulsbehoud dan niet, zijn impuls verandert immers.
Wat wél behouden blijft, is de impuls van het gehele systeem (appel + aarde). De aarde krijgt ook een (verwaarloosbare) tegenimpuls omhoog, zodat de totale impuls constant blijft. Impulsbehoud geldt altijd, maar alleen voor gesloten systemen.
En dat sluit mooi aan bij het equivalentieprincipe: zowel een waarnemer op aarde als een met de appel meevallende waarnemer mogen hun frame gebruiken, en in beide wordt het impulsverloop begrepen zonder dat er "iets" extra’s nodig is om het te representeren. Ik meen dat dit al op een paar manieren is toegelicht, maar ik hoop dat deze vorm het wat helderder maakt. En dus waarom dan nog doen alsof er een soort ‘accu’ nodig is die de impuls ‘vasthoudt’? Er is geen noodzaak voor het idee dat de impuls 'ergens moet worden opgeslagen' tussen oorzaak en gevolg.
Verder even een aanvulling op lokaal vs globaal behoud in de algemene relativiteit:
Wnvl1 legt het goed uit. Maar het is wel belangrijk om te benoemen dat in de algemene relativiteit energie en impuls vaak niet globaal gedefinieerd zijn, of zelfs niet behouden in de klassieke zin.
In ART is zwaartekracht geen krachtveld met eigen energie-inhoud, maar een eigenschap van de ruimtetijd zelf (kromming). Er bestaat dus geen echte energie-impuls-tensor voor het zwaartekrachtsveld, alleen voor materie en andere niet-gravitationele velden. Daardoor geldt de lokale behoudsvergelijking
\(\nabla_\mu T^{\mu\nu} = 0,\) die het lokale behoud van energie en impuls van materie en niet-gravitationele velden uitdrukt. Deze vergelijking zegt echter niets over het totale energie-impulsbudget van het volledige systeem, inclusief de zwaartekracht zelf.
Of er ook sprake kan zijn van globaal behoud, bijvoorbeeld in de vorm
\(\frac{d}{dt} \int_V T^{0\nu} \, d^3x = - \int_{\partial V} T^{i\nu} n_i \, dS,\)
hangt sterk af van de structuur van de ruimtetijd. Alleen wanneer de ruimtetijd asymptotisch vlak is, zoals bij geïsoleerde systemen die ver verwijderd zijn van andere massa’s en velden en die op grote afstand steeds meer op de vlakke ruimtetijd van de speciale relativiteit lijken, kunnen dergelijke globale grootheden op een eenduidige manier worden gedefinieerd.
In vlakke ruimtetijd van de SRT kun je lokaal en globaal behoud aan elkaar koppelen zonder problemen. Er geldt dan eigenlijk globaal is hetzelfde als lokaal en werkt het precies zoals in de klassieke mechanica.
Maar in het algemeen, zoals in kosmologische modellen met een uitdijend heelal, is er geen globale energiedefinitie en dus ook geen klassiek energiebehoud. Bekend voorbeeld: fotonen verliezen energie door roodverschuiving, maar er is nergens een veld of object dat die energie “ontvangt”.
Dus lokaal geldt dat er geen impuls of energie uit materievelden, maar globaal kun je dat alleen zeggen als de ruimtetijd het toelaat en dat is lang niet altijd zo.
Het is lastig om een eenduidige overkoepelende reactie te geven, vandaar dat het wat langer is geworden.
Edit: wel erg lang!
Maar goed. Hopelijk draagt dit bij aan wat meer nuance rondom het begrip “behoud van energie en impuls” in de algemene relativiteitstheorie.
(Ik kan dat chitchat gebeuren niet goed.)