Dat zou een manier zijn, maar dan gewoon een tweeling, want waarom in hemelsnaam een drieling met symmetrische omloopbanen, waarbij je toch weet dat die twee precies hetzelfde "weten en meten en doen"? Dat vind ik volstrekt onzinnig.HansH schreef: ↑zo 14 sep 2025, 22:32 nog een puntje wat blijkbaar onduidelijk is;
p3 beweegt met constante snelheid v en keert op een bepaald moment instantaan van richting om en later nog een keer met als doel om na 100 rondjes samen met p1 en p3 weer met snelheid v door de oorsprong allemaal dezelfde kant op te gaan.
Het betekent gewoon een ander inertiaalstelsel. Niks meer niks minder. Daarom kun je het gebruikelijke tweelingsparadox bijvoorbeeld prima berekenen met de reizende tweeling die een reis maakt van twee rechte wereldlijnen:vraag is nu wat het effect is van instantaan omkeren van richting met snelheid=v. wat betekent dat voor de tijdsdilatatie? geeft dat een discontinuiteit of niet? dat sluit ook een beetje aan bij het probleem met cirkelbaan benaderen voor rechte lijnstukken met als gevolg in het overgagnspunt even een oneindige versnelling om van richting te veranderen.

Zoals gezegd het is veel makkelijker rekenen met inertiaalstelsels dan met niet-inertiaalstelsels. Zeker wanneer je vanuit een versnellend stelsel en (intuïtief) vooral vanuit roterende frames beredeneerd.
Vanuit een gekromd roterende metriek (ART) uiteraard nog weer lastiger. Afhankelijk van wat je wilt weten welliswaar, maar over het algemeen.
Het wordt mij verder een beetje teveel een chitchat gebeuren in dit topic eerlijk gezegd. Dat is niet zo voor mij weggelegd.
Puzzels