De integraal wordt genomen langs de wereldlijn van het object. Dat betekent dat men de ruimtelijke coördinaten uitdrukt als functies van een parameter, bijvoorbeeld de coördinaattijd \(t\):
\[
x = x(t), \qquad y = y(t), \qquad z = z(t).
\]
Wanneer je deze parametrisatie invult, kan je de integraal schrijven als een integraal over \(t\). Dan volgt