Het is ook nog wel op een andere manier te illustreren wat ik bedoel. Stel twee mensen geven elkaar op een bepaald moment een hand en de een gaat een jaar op een berg wonen en de ander een jaar in het dal. Na dat jaar gaat degene op de berg degene in het dal eens opzoeken. Tijd en ruimte zijn niet los van elkaar te zien. Als voor de een de tijd sneller gegaan is dan voor de ander dan zouden ze elkaar nooit meer een hand kunnen geven.
Ik vrees dat je niet goed begrijpt wat 'tijd' is.
Laat ik je verhaal eens een beetke anders stellen, om het te vereenvoudigen.
Stel ik geef een hand aan een vriend, en darna gaan we elk voetballen trappen naar twee verschillende goals.
Mijn vreind trapt vijf voetballen naar de goal,
ik daarentegen trap in dezelfde tijdsspanne er 3 op doel.
Als we nu per definitie 1 seconde gelijkstellen aan 1 getrapte voetbal,
dan is voor mijn vriend mijn tijd trager,
en voor mij de tijd van mijn vriend sneller.
Er is nu toch geen probleem om hem weer een hand te geven?
Ook al zijn er voor mij 3 seconden voorbijgegaan, en voor hem 5.
Nu, men heeft 1 seconde niet gelijkgesteld aan 1 getrapte voetvbal,
maar aan 9.192.631.770 perioden van de straling die correspondeert met de overgang tussen de twee hyperfijn energieniveaus van de grondtoestand van cesium-133.
Bij iemand op een berg wisselen deze periodes zich sneler af dan bij iemand in een dal.
Aangezien we per definitie deze periodes gelijkgesteld hebben aan tijd,
kunnen we zeggen dat de tijd sneller gaat op een berg dan in een dal.
Waar zit nu het probleem dat ze elkaar geen hand meer kunnen geven?