Ik had eigenlijk nog een paar vragen.
Op de toelatingstoets heb je heel van zulk soort vragen:
4sin^2(2x+40 graden)=3
A=20
B=-20
C=50
D=-50
Ik werk het dan meestal zo uit:
sin^2( 2x+40 graden)= 3/4
sin(2x+40 graden)=wortel(3/4)=0.5 wortel (3)=sin( 1/3 Π)
2x+40 graden= 1/3 Π
2x+2/9 Π=1/3 Π
2x=(1/3 -2/9)Π=1/9Π
x= 1/18 Π
aantal Π/ (1/180)= 10
Maar zo kom ik meestal op vreemde antwoorden uit. ( Soms kloppen ze, soms niet)
Ik vroeg me af of er een betere manier is om zulke vragen op te lossen?
Ik kwam ook bij een vraag de volgende notitie tegen, en weet niet wat de bedoeling is dat ik hier moet doen:
f(x)=x^2 2(f(x-2)-[f(x-1)*f(x)]
En bij deze is het meer dat ik niet weet hoe ik verder moet:
Je wilt een mengsel maken van een bep percentage zuurstof
(bv A: 5 %, B: 10 %, C: 15 %, D: 20% zuurstof), en je beschikt over meer van mengsel C zodat je 3 x zoveel van mengsel C gaat gebruiken als van mengsel A
Hoeveel A gebruik je?
Wat ik meestal bij zelke vragen doe, is een stelselvergelijking maken zoiets als:
5A+10B+15C+20D
en C=3A
en dan mischien
5A+10B+15(3A)+20D
5A+10B+45A+20 D
Maar wat zou ik hierna moeten doen?
Puzzels