De BMI is een ruwe maat die geen rekening houdt met factoren als beendergestel (zware of lichte beenderen) en de manier waarop iemand is gebouwd (breed of smal).
Er bestaat een correctiefactor, nl. het meten van de kniebreedte.
Vroeger bleek uit een bepaald onderzoek in de V.S. dat een BMI van 20 ideaal was, hoe hoger erboven, hoe hoger het mortaliteitsrisico.
Vandaag de dag denkt men hier genuanceerder over zoals je ziet aan bovenstaande en beseft men dat niet alleen vetpercentage maar ook de plaats van het vet een heel belangrijke rol speelt.
Vooral vetopstapeling op de buik vormt een verhoogd risico op cardiovasculaire aandoeningen en een nieuwe maat ter vervanging van de BMI werd door sommige onderzoekers voorgesteld. Dit is om je buikomtrek te delen door je heupomtrek en dit zou een betere predictie geven van de gezondheidsrisicco's.
Uit recent onderzoek bleek nog minder positief voor de houdbaarheid van een maatstaf als de BMI: er zouden ook 'valse slanken' bestaan. Deze personen zijn zo mager als iets en bezitten ogenschijnlijk geen grammetje vet. Maar uit onderzoek blijkt dat vier op tien van deze mensen in plaats van aan de buitenkant vet op te slaan dit aan de binnenkant doet, nl. rond de maag, het hart en de lever. Vanzelfsprekend zijn voor die groep de gezondheidsrisico's ook heel groot. (Ik vrees trouwens daar zelf bij te horen.

)
Het vetpercentage en de verdeling ervan is dus cruciaal. En zoals je ziet is zelfs een vetmetertoestelletje niet adequaat genoeg om dit in te schatten. De enige manier is een onderwaterweging van het vetpercentage of aan de hand van fullbody-scans.
De BMI kan nog gebruikt worden om een ruwe indicatie te geven, maar is eigenlijk dus wel al wat voorbijgestreefd.
Nog een nuancering die gemaakt moet worden indien je je daar toch op wilt baseren: spieren wegen veel meer dan vet. Iemand die (heel) gespierd is zal dus een hogere BMI hebben, maar dat is daarom nog helemaal geen teken van obesitas of een verhoogd risico op bepaalde aandoening (integendeel

).