Het godsgevoel: het ultieme godsbewijs?
Er is in de loop der eeuwen uitputtend gezocht naar godsbewijzen. De laatste decennia zijn vrijwel alles wat in dit verband is bedacht en ooit bewezen geacht, van tafel geveegd.
Is een natuur waar geen leven kan overleven zonder ander leven te doden, een schepping van een algoede en alwijze god? Neen toch!
Heeft een eeuwige god meer circa 3 miljard jaren gewacht om eindelijk een redelijk wezen op zijn schepping te plaatsen, na o.a. gedurende een paar 100 miljoen jaren zijn schepping te hebben overgeleverd aan reuze hagedissen, die slechts aan vreten en vechten dachten?
Neen toch!
Blijft dat diepe godsgevoel in elke menselijk wezen, dat besef van iets anders 'iets diepers, de goddelijke kern in de mens.
Is dat het ultieme en enig overblijvende bewijs?
Misschien moeten we teruggaan tot de essentie. Is er een principe, een drijfveer die geldend en actief was sedert de eerste celdeling en nog steeds beslissend is?
Dat principe is er. De drijfveer van alle leven: het instandhouden van de soort. De enig algemene en altijd en overal geldende natuurwet.
Bij de analyse van deze wet zien we twee elementen die een dwingend karakter hebben en de hele wet bepalen: voortplanting en instandhouding.
Het is vooral de instandhouding die ons hier moet bezighouden.
Het dominante element ervan is de angst.
Angst beschermt leven. Angst weerhoudt er leven van te grote risicos te nemen. Angst zorgt ervoor dat we ons alleen voeden met wat we kennen.
Angst voor wat we niet kennen.
We, dat zijn in dit geval alle diersoorten, de mens dus inclusief.
Angst is een essentieel onderdeel van de absolute natuurwet tot instandhouden van de soort.
Angst is samen met de voortplanting de eeuwige drijfveer voor leven.
Wat de mens betreft:
De mens, als roedeldier is in een voortdurende strijd gewikkeld om zoveel mogelijk nageslacht te verwekken en hoe hoger hij/zij in die roedelstructuur kan opklimmen, hoe meer nageslacht hij/zij zal hebben.
Hoe zwakker het individu, hoe eerder het zal geneigd zijn om zich uit die strijd terug te trekken en zich een andere wereld, waarin het zwakke individu wél aanbod komt, voorstelt.
Eén voorbeeld.
Onze voorouders zagen vol angst naar de natuur, de zon, het uitspansel, de sterren. Ze zagen een koepel met lichtjes.
In alle bijna-dood-ervaringen komt het warme licht voor. Er is geen reden om aan te nemen dat in de vroegste tijden van het menselijk ras er geen bijna-dood-ervaringen zijn geweest. En dan is de stap naar een koepel waarachter het felle warme licht schijnt snel gemaakt. De lichtjes zijn gaatjes. Het licht achter, dus boven de koepel is de hemel. Een hemel waar ook de zwakke aan bod komt. Een plaats waar eindelijk plaats is voor de minder begaafde, de minder sterke.
Maar ook de sterke, de leider heeft alle belang bij het geloof in die hemel te bevestigen. Het vermindert aanzienlijk de druk op het leiderschap. Het geeft een uitweg voor een groot aantal frustraties die jongere roedelleden ervaren in hun strijd om het leiderschap.
Als de leiders de zaak in handen nemen is de godsdienst geboren. De verhalen van openbaringen, goddelijke zendingen en dies meer zijn niet te tellen in de geschiedenis van de pak weg laatste 6000 jaar.
Maar ze kunnen pas impact hebben als er de angst is. Die angst, die niets anders is dan een element van natuurlijke overlevingsdrang, wordt dan een ingeboren godsgevoel, de ziel, het goddelijke in de mens.
Elk denke er het zijne van, maar voor mij staat het vast, dat ook dit godsbewijs geen hout snijdt en eenvoudig wordt weerlegd, zoals hierboven aangetoond.
Puzzels