Dorus schreef:heden mocht ik onderstaand bericht ontvangen:
Geachte Heer,
In antwoord op uw e-mail kan ik u verzekeren dat dhr Leo Delwaide nooit door de Staat Israël speciaal geëerd is, zoals de heer Camerlynck foutief beweert. Het enige ereteken die door de Staat Israël uitgereikt wordt, is de Titel van "Rechtvaardige der Volkeren", dit zijn de personen die hun leven in de waagschaal zetten om joodse medeburgers te redden en dhr L. Delwaide heeft dit ereteken nimmer of nooit ontvangen. In de hoop dat deze rechtzetting u kan geruststellen, teken ik,
Met vriendelijke groeten,
Laurent Reichman
Persattaché
Ambassade van Israël
edit mod Lala: Dubbelpost opgelost pi.gif .
I)Het antwoord van Delwaide.
Het leek mij historisch (en moreel) gepast om ook wijlen Delwaide zijn versie te laten geven over deze gebeurtenissen in Antwerpen tijdens de oorlog, meer bepaald met betrekking tot de Antwerpse Joden en zijn houding tegenover hen.
Ik stootte op het boekje van L Delwaide (senior) dat als titel draagt:
Vier Jaar Burgemeester van Antwerpen. Het boekje is een soort verweerschrift van Delwaide en werd uitgegeven in 1946 bij de drukkerij De Vlijt, Nationalestraat 46, Antwerpen, 75 blz.
Onder het hoofdstuk
3. Hulp aan de oorlogsslachtoffers, heeft hij het over de Joden in Antwerpen tijdens de bezetting. Hij zegt in dit verband het volgende (ik geef letterlijk de tekst weer, dus ook in de oude spelling):
Joden.
Ook de Joden hebben van den aanvang van de bezetting af, regelmatig beroep op mij gedaan en steeds heb ik hen met de meeste bereidwilligheid geholpen. Met des te meer bereidwilligheid daar zij méér nog dan andere medeburgers deze hulp noodig hadden. In 1940 en 1941, wanneer het joodsche verenigingsleven nog mogelijk was, ben ik herhaaldelijk op de Feldkommandantur voor kerkelijke, maatschappelijke en cultureele Joodsche instellingen opgetreden. Het Centraal Beheer voor Joodsche Weldadigheid en Maatschappelijk Dienstbetoon, onder leiding van de heer Teitelbaum en Navon, de Israëlitische Gemeente van Antwerpen, onder voorzitterschap van de heer Grätz, het Joods Weeshuis waren regelmatig met mij in betrekking voor de vrijwaring van hun belangen. Toen in den Zomer van 1941 anti-joodsche relletjes plaats grepen, tijdens dewelke synagogen en joodsche winkels en woningen werden vernield, heb ik hiertegen bij de bezettende macht protest aangetekend. Het argument dat daarbij het meest indruk maakte, was dat de stad voor deze schadelijke gevolgen dezer relletjes verantwoordelijk was. De aanstokers werden op de Feldkommandatur ontboden en hun werd verbod gegeven nog te herbeginnen. Door het schepencollege heb ik daarna doen beslissen de Joodsche eigenaars, die schade geleden hadden, zonder vorm van proces door de stad te laten vergoeden. Wanneer in September 1942 de bezetter aan den stedelijken ravitailleringsdienst bevel gaf de rantsoenzegels der Joden in (te) houden, heb ik de opdracht gegeven deze zegels uit te reiken. Kort daarop is de systematische opsluiting en wegvoering der Joden begonnen. Zoowel voor bepaalde groepen van Joden o.m. deze van Belgische nationaliteit en deze die met een ariër waren gehuwd als voor vele afzonderlijke gevallen ben ik opgetreden. Met gunstig resultaat werd deze tusschenkomst bekroond, o.m. voor de heren Fribourg, Teichmann, Hirsch en voor mevrouwen De Beukelaer, Hartog, en Van Zeebroeck. Talrijke vervolgde onbemiddelde Joden heb ik geldelijk geholpen. Dat alles heeft niet kunnen verhinderen dat ik, op zeker oogenblik, na de bevrijding, tot mijne niet geringe verbazing, vernemen moest dat ik ervan verdacht werd "de jodenvervolging in de hand gewerkt te hebbenâ. Ik kon mij niet voorstellen waarop deze onteerende verdenking kon berusten. Toen ik voor de Kamercommissie, die de vraag tot lichting mijner parlementaire onschendbaarheid had te onderzoeken, aanbood, was er, betreffende deze beschuldiging, geen enkel stuk aanwezig. Ik heb mij dan, voor de Commissie, per hypothese moeten verdedigen. In den avond van 27 Augustus 1941 was n.l. de politie van zekere wijken van Antwerpen en in de randgemeenten, onder bedreiging, door de Gestapo opgeëischt geworden om, zoogenaamd als bestraffing van begane onbescheidenheden, tot de aanhouding van Joden over te gaan. Noch de Hoofdcommissaris van Politie, noch ik zelf werden hiervan op de hoogte gebracht. Ik bevond mij trouwens buiten Antwerpen toen het feit gebeurde. Wanneer ik het, den volgenden dag, bij mijne aankomst ten stadhuize, door een verslag van de Hoofdcommissaris vernam, heb ik mij onmiddellijk naar de Feldkommandantur begeven om tegen het onrechtmatig en willekeurig optreden van de Gestapo protest aan te teekenen. De Feldkommandatur beweerde het gebeuren niet te kennen. De chef der Gestapo werd bijgeroepen en, ten slotte, kreeg ik de verbintenis dat de politie voor het aanhouden van Joden niet meer zou worden opgeëischt. Deze verbintenis werd gehouden, nadat ik eveneens bij den Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken tegen het voorval had geprotesteerd en zijn bemiddeling had ingeroepen om een herhaling ervan te voorkomen. Het was dan ook niet op dit incident dat de verdenking tot mederwerking aan de Jodenvervolging gesteund was. Dit werd door het Auditoraat-Generaal aan de Kamercommissie medegedeeld. Op wat was zij dan wèl gesteund? Op twee brieven, de eene geteekend door den heer Van Put, schepen van de Bevolking en van den Burgelijken Stand, en de andere door den heer Van Tichel, zijn opvolger na het oprichten van Groot-Antwerpen. Met deze twee brieven werd aan de bezettende macht inlichtingen verstrekt betreffende de identiteit van een zeker aantal Joden. De gevraagde inlichtingen bevonden zich in het ten stadhuize, op de diensten der Bevolking, gehouden Jodenregister. Het bestaan der brieven waarmede zij gegeven werden, kende ik niet eens. Alleen een der vragen om inlichting van de bezettende macht had ik geparafeeerd, omdat zij op mijn naam als burgemeester gestuurd was geworden. Zij was echter door de sorteerdienst van het stadhuis naar het bevoegd bureau verzonden. Dit bureau stond onder de leiding van den heer Nellens, een der meest stipte, gewetensvolle en vaderlandschlievende ambtenaren die ik in de stad Antwerpen heb gekend. De beide gevallen zijn door hem of onder zijne verantwoordelijkheid, maar zonder mijn voorkennis of tusschenkomst, behandeld geworden en ik ben overtuigd dat hetgeen hij gedaan heeft volkomen correct geweest is. Indien de gevraagde inlichtingen gegeven werden is dit ongetwijfeld gebeurd, omdat het niet anders kon. De verantwoordelijkheid ligt dan niet bij het stadsbestuur, doch bij degenen die aan dit laatste opdracht hebben gegeven het Jodenregister te houden, n.l. de heer Vossen en Adam, respectievelijk Secretaris-Generaal en Directeur-Generaal van Binnenlandse Zaken. Dat deze hierin te goeder trouw gehandeld hebben is zeker. Niemand zal hun beproefde vaderlandschliefde in twijfel trekken. Hoe echter de Kamercommissie de vraag tot opheffing mijner parlementaire onschendbaarheid heeft kunnen inwilligen voor twee brieven die ik niet ondertekende, waarvan het bestaan mij niet eens bekend was en waarvoor ik voor de Commissie zelf geen uitleg heb kunnen verstrekken, is mij nog steeds een raadsel. Intusschen blijft, na bijna 2 jaar, deze volmaakt ongegronde, maar hatelijke verdenking op mij wegen. Gelukkig is er niemand van al wie mij kent en mij gedurende de bezetting aan het werk gezien heeft, die deze beschuldiging ernstig heeft opgenomen.
Dat is de versie van Delwaide mbt zijn houding tegenover de Antwerpse Joden tijdens de bezetting
II. Verder onderzoek.
Verder heb ik me nog wat verder bevraagd bij het Joodse blad
Joods Actueel.
Ik kreeg vandaag de volgende mail:
Geachte Heer,
.../...
Er werden veel onwaarheden rondgestrooid over burgemeester Leo Delwaide.Ik ben in het bezit van bewijzen dat hij joden heeft geholpen.Hij werd benoemd tot voorzitter van de Vereniging Haifa-Antwerpen en later tot ere-burger van deze havenstad. Tijdens een diner dat hem werd aangeboden in Hafai werd hij geërd voor zijn inzet voor de goede betrekkingen tussen België en Israël.Bij zijn begrafenis waren ook leidende figuren van de joodse gemeenschap aanwezig.Na de anti-joodse razzia's van 1942,die gebeurden tijdens zijn afwezigheid, had hij geprotesteerd bij de bezetter. Over burgemeester Delwaide ben ik in het bezit van veel documentatie die ik zal opnemen in mijn memoires waarmee ik nu bezig ben.
Vriendelijke groeten,
X
Delwaide werd dus wel gedecoreerd, maar niet door de staat Israël, maar door de stad Haifa, waarvan hij ereburger werd.