@Hildebrand: Zou je kunnen uitleggen (bijvoorkeur met een bijbelse onderbouwing) hoe je tot jouw mening omtrent "eeuwige pijniging" bent gekomen?
De term 'eeuwige pijniging' heb ik geloof ik niet gebruikt. Hieronder een hele lap tekst die hopelijk enige duidelijkheid zal verschaffen.
De hel in het Nieuwe Testament
Wat is de hel?
Hades en gehenna
Wat is de gehenna
Is de hel eeuwig?
Gradaties in straf
Alle heidenen verloren?
Noten
Wat is de hel?
Te onderzoeken wat het Nieuwe Testament over de hel zegt is niet eenvoudig.
Niet zozeer vanwege onduidelijkheid van de Bijbel of vanwege het wijdverbreide
ongeloof aan een hel, maar wel vanwege het onder ogen krijgen van deze
gruwelijke consequentie van de zonde.
Het is voor mij alleen mogelijk deze dingen te doordenken in de wetenschap dat
mijn zonden vergeven zijn door Jezus Christus. De prediking van het evangelie en
het aanbieden van het heil van God is dan ook voortdurend de context, waarin het
Nieuwe Testament over de hel spreekt. We mogen en kunnen alleen in het licht
van de evangelie-prediking over de hel spreken(1).
Hades en gehenna
Het eerste wat ons opvalt is dat er verschillende Griekse woorden gebruikt
worden, die niet allemaal naar dezelfde zaak verwijzen. De twee belangrijkste zijn
'hades' en 'gehenna'(2).
Nu is het verwarrend dat sommige oudere vertalingen beide woorden met 'hel'
vertalen (o.a. de Statenvertaling). Dit is onjuist. Hades en gehenna zijn in het
Nieuwe Testament als ook in het contemporaine jodendom geen synoniemen(3).
Het Griekse 'hades' is wel een synoniem van het Hebreeuwse 'sje'ol' en kan het
beste vertaald worden met 'dodenrijk'. Het is een soort wachtkamer, waar de
zielen van de goddelozen(4) zich na hun lichamelijke dood bevinden in afwachting
van de opstanding der doden(5). We zien dit in het Nieuwe Testament het
duidelijkst in de gelijkenis van Jezus over de rijke man en de arme Lazarus. Jezus
zegt daar dat de rijke stierf, werd begraven en in het dodenrijk zijn ogen opsloeg
....(Luc. 16:23). De hades staat in nauw verband met de eerste dood, de dood van
het lichaam, en heeft een tijdelijke functie. Bij het laatste oordeel geeft zij namelijk
haar inwoners over om geoordeeld te worden. Zo lezen we in Openbaring 20:13
'De dood en het dodenrijk gaven de doden die in hen waren, en zij werden
geoordeeld, een ieder naar zijn werken.' De 'gehenna' daarentegen is de plaats
die beschreven wordt als een 'poel van vuur'(Openb. 20:14)(6) en een 'vurige oven'
( Matt. 13:42), waartoe men veroordeeld kan worden aan het einde der tijden. We
lezen dit bijvoorbeeld in Mattheüs 13:40-42 waar Jezus zegt: 'Zo zal het gaan bij
de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij
zullen uit zijn koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de
ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het
geween zijn en het tandengeknars'. Nog preciezer beschrijft Johannes wanneer dit
zal gebeuren, namelijk na de opstanding en het laatste oordeel. We lezen dit in
Openbaring 20, waar staat: 'En de doden werden geoordeeld, op grond van
hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken....en wanneer iemand
niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen
in de poel des vuurs' (Openb. 20:12,15). Aansluitend bij de moderne vertalingen
moeten we concluderen dat het begrip 'hel' beperkt dient te worden tot deze
'gehenna'(7).
Wat is de gehenna
Wat is nu deze hel? In de eerste plaats is belangrijk dat het Nieuwe Testament,
vergeleken met de joodse apocalyptiek(8), heel summier en sober is in zijn
beschrijving van de hel.
Ten tweede moet voor iedereen duidelijk zijn dat de beschrijvingen van de hel in
het Nieuwe Testament beelden zijn. Vuur en duisternis bijvoorbeeld sluiten elkaar
in letterlijke zin uit. Het eerste beeld waarmee de Here Jezus de hel beschrijft is
'de buitenste duisternis'(Matt. 8:12; 22:13; 25:30). Duisternis wil zeggen:
uitgesloten van het licht van God(9). Het spreekt dus over een plaats, waar de
laatste band met God is doorgesneden. Hetzelfde wil de apostel Johannes
duidelijk maken als hij in het boek Openbaring over de hel spreekt als 'de tweede
dood' (Openb. 2:11; 20:6; 20:14; 21:8). Dat de tweede dood een omschrijving is
van de hel en niet duidt op een vernietiging, op een ophouden te bestaan, lezen
we duidelijk in Openbaring 20:14 waar staat: 'Dit is de tweede dood: de poel des
vuurs'. Deze tweede dood is in tegenstelling tot de eerste dood de eeuwige
dood(10), waarover de Here Jezus spreekt in Mattheus 10:28 waar hij zegt: 'en
weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen
doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan
verderven in de hel'. De tweede dood is dus evenmin als de eerste, de natuurlijke
dood, een ophouden te bestaan, maar is een scheiding. Zoals er in deze wereld
geestelijke doden bestaan (Joh.5:25; Matt.8:22.), zo zullen er in de toekomende
wereld eeuwige doden bestaan. Samenvattend betekenen de beelden van
'buitenste duisternis en 'tweede dood' een volledig gescheiden zijn van God als
Vader(11).
Een tweede omschrijving die de Here Jezus van de hel geeft luidt: 'daar zal het
geween zijn en het tandengeknars' (Matt.8:12; 13:42,50; 22:13; 24:51; 25:30;
Luc.13:28). Tandengeknars kan spreken over machteloosheid en wanhoop(12),
maar ook over boosheid en woede(13). Mogen we aannemen dat beide elkaar
afwisselen? Vervuld met wanhoop en woede zal men op het aardse leven
terugzien in een machteloos berouw. Wenend en tandenknarsend zal men denken
aan de verlossing, die men door eigen schuld heeft verspild en verspeeld(14).
Vreselijk zal de wanhoop zijn door deze herinnering aan het aardse leven en de
gemiste levenskansen. Te meer omdat er in de hel een besef zal zijn van de
hemelse heerlijkheid. Hiervan sprak Jezus in Lucas 13:28 waar Hij zegt: 'Daar zal
het geween zijn en het tandengeknars wanneer gij Abraham en Isaäk en Jacob
zult zien(15) en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitengeworpen'.
Hetzelfde wordt ook gezegd in Openbaring 14:10, waar we lezen: 'En hij zal
gepijnigd worden...ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam'.
Waarschijnlijk wordt de ergste wroeging en pijn van de veroordeelden in de hel
veroorzaakt door het zien van het Lam(16). Samenvattend moeten we zeggen dat
de hel een vreselijke plaats is vol van wanhoop en wroeging, van machteloosheid
en woede omdat er een besef is van de hemelse heerlijkheid, waar men geen
deel aan heeft.
Is de hel eeuwig?
De vraag die vervolgens gesteld kan worden is of dit helse bestaan eeuwig zal
voortduren of dat het misschien een einde heeft? Hierop geeft het Nieuwe
Testament een ondubbelzinnig antwoord. Er wordt gesproken over een 'eeuwig
vuur', een 'eeuwige straf', een 'eeuwige zonde' en een 'eeuwig verderf'
(respectievelijk in Matt.18:18; 25:41; Jud.7 - Matt.25:46 - Marc.3:29 - 2 Thess.1:9).
En het is hier onmogelijk het Griekse woord voor eeuwig een andere betekenis
toe te kennen dan 'onophoudelijk' of 'zonder einde'(17). Ook de context spreekt
heldere taal. Jezus zegt in Mattheüs 25:46 'En dezen zullen heengaan naar de
eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.' Het is duidelijk
dat de duur van de straf gelijk zal zijn aan de duur van het leven.
Ook Paulus is duidelijk over wat hij onder 'eeuwig' verstaat, als hij het eeuwige
stelt tegenover het tijdelijke (2 Cor. 4:18). Het is daarom ook duidelijk wat hij
bedoelt, als hij over de ongehoorzamen zegt in 2 Thessalonicensen 1:9 'Dezen
zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren...' We
willen tenslotte nog wijzen op Openbaring 14:11, waar Johannes over de helse
straf zegt: 'En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden en zij hebben
geen rust dag en nacht.' De hel zal even lang bestaan als de troon van God,
waarvan we lezen dat hij er zal zijn in alle eeuwigheid (Hebr. 1:8).
Gradaties in straf
Hoewel de hel een eeuwige straf is, is er beslist geen sprake van één grijze
massa in het grauwe duister, waar alle zondaren op één hoop worden gegooid. Er
zijn gradaties in het lijden. Jezus zegt in Mattheüs 11:21-22 'Wee u, Chorasin, wee
u, Betsaïda! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in
u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben. Doch ik
zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon dragelijker zijn in de dag des oordeels dan voor
u'(18). Een lichtere straf dus voor Tyrus en Sidon omdat zij minder mogelijkheden
hebben gehad dan de steden ten noorden van het meer van Galilea. De mens
wordt niet alleen geoordeeld naar zijn werken, maar ook naar wat hij gedaan zou
kunnen hebben(19). Een tweede woord van Jezus over verschil in straf vinden we
in Mattheüs 23:14 'Wee u schriftgeleerden en farizeeën, gij huichelaars, want gij
eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt.
Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen'. Een zwaardere straf dus voor hen
die willens en wetens verkeerd gehandeld hebben. Hetzelfde zegt Jezus ook in
Lucas 12:47-48 'Die slaaf nu die de wil van zijn heer kende en geen
toebereidselen getroffen heeft, of niet gedaan heeft naar de wil van zijn heer, zal
vele slagen ontvangen. Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft
gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen'. We zien hier dat er een
relatie bestaat tussen de kennis die men heeft van Gods openbaring en de
zwaarte van de straf die men ontvangt(20). Ook Paulus weet van gradaties in het
oordeel als hij zegt in Romeinen 2:5-6 'Met uw botte en onboetvaardige
gezindheid stapelt(21) gij voor uzelf een kapitaal van toorn op tegen de dag van de
toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal worden. Hij zal een ieder
vergelden naar zijn werken.'(22)
Samenvattend moeten we zeggen dat zij die verloren gaan geoordeeld zullen
worden naar hun werken (Rom.2:6; 2 Cor.11:15; 2 Tim.4:14; Openb.20:12,13 ;
22:12) en dat dit betekent dat een ieder een verschillende straf ontvangt,
gebaseerd op de mogelijkheden en onmogelijkheden die hij in dit leven heeft
gehad.
Alle heidenen verloren?
De verscheidenheid in straf dringt tot slot de vraag aan ons op of er ook
ongelovigen zijn die vrijgesproken zullen worden in plaats van veroordeeld? Hoe
zal het oordeel uitvallen over kinderen van ongelovigen. En hoe over hen die nooit
het Evangelie hebben gehoord?
Er is in het Nieuwe Testament één passage die ons informeert over Gods oordeel
over ongelovigen, namelijk Mattheüs 25:31-46. Het is de passage van het oordeel
van de Zoon des Mensen over de volkeren, een schilderachtige vertelling die
soms op een gelijkenis lijkt (bv. in vs. 32-33). Hier komt het lot ter sprake en de
maatstaf voor het oordeel van de mensen die ten tijde van de wederkomst op
aarde leven, maar niet tot de Gemeente van Christus behoren(23). Zij worden
gescheiden in twee groepen, één aan de rechterhand van de Zoon en één aan de
linkerhand. Tot de eerste groep zegt de Rechter: 'Komt gij gezegenden mijns
Vaders, beërft het Koninkrijk' (Matt.25:34). Tot de tweede:'Gaat weg van Mij, gij
vervloekten, naar het eeuwige vuur.' Dat het hier een oordeel over niet-christenen
betreft blijkt onder andere uit het gegeven dat de vrijgesprokenen niet weten dat zij
de Koning, die hen nu vrijspreekt, hebben liefgehad(24). We moeten hieruit
concluderen dat het voor God niet onmogelijk is om mensen buiten de
genademiddelen van prediking en doop om toch rechtvaardig te verklaren(25).
Karakteristiek voor dit oordeel van de Zoon des mensen is verder de norm.
Bekende maatstaven als geloof, waakzaamheid en trouw worden hier niet
genoemd. Op de vraag van de mensen waaraan zij hun vrijspraak te danken
hebben en wanneer zij de Koning liefde hebben betoond, antwoordt Deze:
'Voorwaar Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt
gedaan, hebt gij het Mij gedaan.' Zij hebben de Koning liefde betoond in zijn
broeders, dat wil zeggen: hun vrijspraak berust op hun houding tegenover de
gelovigen(26). Jezus maakt hun zo duidelijk dat zij niet gerechtvaardigd worden
door hun werken, maar door hun relatie met Hem, een relatie die door hun werken,
die een natuurlijk uitvloeisel waren van hun hart, aanwezig was (vgl. Matt.12:33-37;
Rom.2:12-16).
Mogen wij nu aannemen dat analoge normen ook toegepast worden wanneer bij
het laatste oordeel alle mensen geoordeeld worden naar hun werken en dat dan
ook daar nog mensen worden vrijgesproken?(27) Op deze en andere vragen die
we eerder stelden over kinderen van ongelovigen en hen die nooit het Evangelie
gehoord hebben moeten wij het antwoord schuldig blijven. Maar we moeten er dan
ook direct bij zeggen dat dit onze vragen zijn, niet die van de schrijvers van het
Nieuwe Testament zelf. Daar is immers het spreken over de hel onlosmakelijk
verbonden met het spreken over het Evangelie, over de verlossing die er is door
Jezus Christus. Daarom kunnen wij ons goed vinden in de woorden van Schilder
als hij in dit verband zegt: 'Men vergete niet dat de Bijbel over het lot van zulke
mensen zich opzettelijk zeer onvolledig uitlaat; al tellende en metende en wegende
vergeet men immers het beproeven van eigen hart.'(28)
Het feit echter dat God vrijmachtig is om mensen vrij te spreken buiten de
middelen van prediking en doop om(29) en de wetenschap dat Hij de hoogste
rechtvaardigheid en de hoogste liefde is zou voor de gelovigen die hun Vader in
alles vertrouwen voldoende moeten zijn.
Noten
1. G.C. Berkouwer, De wederkomst van Christus, II (Kampen, 1963) 204-207.
2. We beperken ons tot deze twee begrippen, omdat zij betrekking hebben op
mensen. Tartaros (2 Petr.2:4) en abussos (Luc.8:31; Openb.9:1-2 e.a.) hebben
betrekking op gevallen engelen en demonen
3. J. Jeremias, 'haides', TDNT, I, 148. J. Jeremias, geenna, TDNT, I, 658.
4. De enige uitzondering hierop is Hand.2:27,31; maar dit is een OT-isch citaat en
spreekt dus over de situatie onder het Oude Verbond.
5. J. Jeremias, 'haides', TDNT, I, 148.
6. J. Jeremias, 'geenna', TDNT, I, 658.
7. Het Griekse Woord is afgeleid van het Hebreeuwse ge hinnom, dal van
Hinnom, een plaats ten zuiden van Jeruzalem, waar in de dagen van Achaz en
Manasse offers aan Moloch werden gebracht (2 Kon.16:3; 21:6; 2 Kron.33:6;
Jer.7:31).
8. Hier is het lijden van de goddelozen bv. een eeuwig schouwspel voor de
rechtvaardigen, 1 Henoch 27:2-3; 90:26-27; 4 Ezra 7:36.
9. J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie, I (2e dr., Gütersloh, 1973) 130.
10. G.E. Ladd, The Revelation of John (3e dr., Grand Rapids, 1976) 45. Ook de
rabbijnen, die een opstanding van ongelovigen leerden, spraken over een
'toekomstige dood' in de zin van een overleveren aan een eeuwig oordeel. H.L.
Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und
Midrasch, III (6e dr., München, 1974) 830.
11. K. Schilder, Wat is de hel? (3e dr., Kampen, 1932) 93. Hetzelfde brengt
Paulus onder woorden als hij spreekt over 'een eeuwig verderf, ver van het
aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte' (2 Thess. 1:9).
12. J. Jeremias, Theologie, 130.
13. I.H. Marshall, The Gospel of Luke (Exeter, 1978) 567-568.
14. H. Berkhof, Gegronde verwachting (2e dr., Nijkerk, 1968) 54.
15. Hendriksen interpreteert het 'zien' als: are made aware of the presence of ....
W. Hendriksen, The Gospel of Luke (5e dr. Grand Rapids, 1987) 707. Schilder
zegt op grond van dit vers dat 'de Schrift ons leert, dat ginds God, hoewel nooit
bekend - in kennis des geloofs - dan toch gekend, geweten wordt .... ( K. Schilder,
Hel 122-123). Elders zegt hij dat ' in de hel God niet kan vergeten worden, dat
God niet van Zijn plaats kan worden gezet, noch gedacht, dat God er niet kan zijn
de Onbekende'. (pag. 100).
16. G.E. Ladd, Revelation, 197.
17. W. Bauer, 'aionios', Wörterbuch zum Neuen Testament (5e dr., Berlin, 1971)
s.v.; H. Sasse, 'aionios', TDNT, I, 208-209.
18. Zie ook Matt.10:15 'Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en
Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad.
19. Vgl. Jac. 4:17, en zie ook voor het omgekeerde (zwaarder straf) Joh.15:24
'Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan
heeft, zouden zij geen zonde hebben, maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien
hebben, toch mij en mijn Vader gehaat.'
20. H. Seesemann, 'oligos', TDNT, V, 173.
21. Hetzelfde werkwoord, thesaurizein, wordt gebruikt als in Matt. 6:19 'Verzamelt
u geen schatten ....'.
22. Volgens de Willibrord Vertaling. Ook Michel vertaalt zo: 'sich selbst Zorn wie
ein Konto auf den jüngsten Tag ansammle'. O. Michel, Der Brief an die Römer (5e
dr., Göttingen, 1978) 114.
23. Met 'alle volkeren' in vs. 32 zijn hier, evenals in Matt. 24:14 en Matt. 28:19 'alle
volkstammen der aarde' bedoeld (24:30; Openb.1:7), d.w.z. alle niet tot de
gemeente behorende, levende volkeren der wereld. Th. Zahn, Das Evangelium
des Matthäus (3e dr., Leipzig, 1910) 684.
24. Matt.25:37-39. Goppelt spreekt over 'einem latenten christentum der
Humanität'. L. Goppelt, Theologie des Neuen Testaments (3e dr., Göttingen,
1978) 176. Volgens Jeremias behandelt Jezus met deze gelijkenis de vraag
volgens welke maatstaf de heidenen geoordeeld worden. J. Jeremias, Die
Gleichnisse Jesu (6e dr., Göttingen, 1962) 206-207.
25. Dit is geen onbekend gegeven. Bavinck zegt: 'De gereformeerden wilden ten
eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmee een mens ook onder vele
dwalingen en zonden nog aan God verbonden zijn kan, noch den graad der kennis
bepalen, die tot zaligheid onmisbaar nodig is. En ten anderen hielden zij staande,
dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en
dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven
....' K. Schilder, Hel, 202.
26. Zowel 'broeder' (Matt.12:48-49; 23:8; 28:10) als 'kleinste'of 'geringste' (vgl.
11:25 'kinderkens' en 10:42; 18:6, 10,14 'kleinen') geeft duidelijk aan dat Jezus
Zijn discipelen bedoelt, de gelovigen. Jezus spreekt erover hoe de heidenen Zijn
volgelingen behandeld hebben, toen ze met het Evangelie door de wereld trokken
(24:14). G.E. Ladd, A Theology of the New Testament (2e dr., Grand Rapids,
1975) 206; J.C. Bette, G. van den Brink, H. Courtz, red., Studiebijbel 2. Het
evangelie naar Mattheüs (2e dr., Soest, 1989) 623,625
27. Zo: Th. Zahn, Matthäus, 685-686.
28. K. Schilder, Hel, 201-202
29. Hier kunnen we opmerken dat ook bekende kerkvaders en reformatoren
hebben gedacht dat God bij het laatste oordeel ook bepaalde heidenen, die geen
christen waren geweest, zou vrijspreken. Schilder noemt: Augustinus, Abaelardus,
Luther, Melanchton en Zwingli. K. Schilder, Hel, 247.
drs G. van den Brink
De juiste vraag is de vraag die uit objectiviteit geboren wordt.