Jullie denken er niet aan dat E=mc
2 niet het hele verhaal is! Dat veel mensen dat denken komt door al die populair-wetenschappelijke boekjes (Hawking e.d.) die graag een zwik details onder tafel vegen.
De totale vergelijking is eigenlijk: E=√(m
2c
4+p
2c
2). Hierin is m de massa, c de lichtsnelheid en p de impuls. Dat is de formule waarmee je moet werken!
Vul hier m=0 in en je krijgt de bekende formule voor energie van een foton: E=pc=hf (de constante van Planck * de frequentie van het foton).
Vul hier p
2c
2 << m
2c
4 in (wat voor de meeste massa een zeer goede benadering is) en je krijgt weer E=mc
2.
Maar die twee limieten zijn speciale gevallen die slechts een beperkte geldigheid hebben.
Als je het zekere voor het onzekere wil nemen (als je dus niet weet of je wel E=mc
2 mag gebruiken), dan moet je E=√(m
2c
4+p
2c
2) nemen. Die werkt altijd.
O ja, over het feit dat licht langzamer beweegt in een medium (water, bijvoorbeeld): Dit komt doordat het foton in het medium slechts een tijdje (in ons referentiekader) kan bewegen voordat het geabsorbeerd wordt door een atoom van het medium. Na de absorptie duurt het even voordat een nieuw foton weer wordt uitgezonden. Omdat dit heel vaak gebeurt, lijkt het alsof het foton in een medium langzamer beweegt, maar dat is dus niet zo: het beweegt "gewoon" met de lichtsnelheid, tenzij het even geabsorbeert is.
Vergelijk het maar met autorijden in de stad (en we negeren even versnelling): je rijdt de hele tijd netjes 50 km/uur, maar regelmatig moet je stilstaan voor een rood stoplicht. Het resultaat is dat je over 50 km duidelijk meer dan een uur doet, terwijl je toch de hele tijd 50 km/uur gereden hebt (tenzij je even stilstond). Voor licht werkt het ruwweg net zo.
Never underestimate the predictability of stupidity...