De opdracht is: Noteer je antwoorde in de wetenschappelijke notatie.
Dan heb je de som: 565 x 20.
565 x 20 = 11300
Is het antwoord dan 1,1 x 104?
Of is het antwoord dan 1,13 x 104?
"Bij delen en vermenigvuldigen geldt de regel dat de uitkomst evenveel significante cijfers bevat als de meetwaarde met het kleinste aantal significante cijfers. Bijv. 6,221 cm x 5,34 cm = 33,2 cm² (5,34 en 33,2 hebben beiden 3 significante cijfers)"En als de opdracht nou was geweest: Geeft de antwoorden in het juiste aantal significante cijfers? Dan was het wel 1,1 x 104 geweest?
probeer af te leren van dit een som te noemen, dat is het niet!Dan heb je de som: 565 x 20.
Foei jongens! Nu zie ik beide antwoorden even vaak genoemd. 20 heeft twee significante cijfers en dus moet volgens de vuistregel (voor vermenigvuldigen en delen) het antwoord ook 2 significante cijfers hebben. 1,1x10^4 dus. Wel even letten op het verschil tussen significante cijfers en decimalen!
Natuurlijk gaat het wel om meetresultaten. Als het om wiskundige getallen zelf gaat vraag je toch niet of het antwoord misschien 1.1 x104 zou kunnen zijn? Bovendien vraag de vragensteller een paar berichtjes verder expliciet wat het juiste aantal significante cijfers is. Dat is geen begrip uit de wiskunde. De wetenschappelijke notatie trouwens ook niet.Een wiskundig getal telt nooit mee voor het bepalen van het aantal beduidende cijfers. De TS heeft nergens eenheden gegeven en zei ook niet dat het om meetresultaten ging, maar gaf ons een gewone wiskundige bewerking. In dat opzicht is het antwoord 1.13 x104
(TopicStarter)PS: De afkorting TS ken ik nog niet.