In een oude examenopgave kwam ik de volgende vraag tegen:
Ba c t e r i ë n
Een onderzoeker vulde twee kolven met hooi en water, sloot ze af met een wattenprop en liet
ze gedurende enkele dagen staan. In de kolven ontwikkelden zich bacteriën. Deze bacteriën
kunnen onder bepaalde omstandigheden endosporen vormen.
Vervolgens voerde hij twee experimenten uit. In experiment 1 kookte hij het hooi-aftreksel
in kolf 1 gedurende enkele uren. Na verloop van tijd ontwikkelden zich in dit hooi-aftreksel
toch weer nieuwe bacteriën.
In experiment 2 kookte hij het hooi-aftreksel in kolf 2 drie maal gedurende één minuut, met
telkens een tussenpoos van twaalf uren. Na verloop van tijd ontwikkelden zich in dit
aftreksel geen bacteriën.
Ter verklaring van de resultaten van beide experimenten worden de volgende beweringen
gedaan.
1. Actief delende bacteriën zijn niet bestand tegen kooktemperatuur en endosporen wel.
2. In beide experimenten ontwikkelden endosporen zich tot actief delende bacteriën.
Welke van deze beweringen vormt of welke vormen een verklaring voor de resultaten van
beide experimenten?
A geen van beide beweringen
B alleen bewering 1
C alleen bewering 2
D beide beweringen
Het juiste antwoord is kennelijk D, maar ik snap niet waarom 2 juist is. De endosporen ontwikkelen zich in het tweede deel van het experiment toch juist niet tot delende cellen?
Hoop dat iemand het me uit kan leggen! Alvast bedankt
Puzzels