Voor een opdracht krijg ik de volgende vraag
Bij het geven van een (proefwerk)cijfer kunnen twee typen fouten optreden (In de statistiek worden die fouten van de eerste soort en fouten van de tweede soort genoemd.) Een leerling kan ten onrechte een onvoldoende krijgen en een leerling kan ten onrechte een voldoende krijgen. Beschrijf een aantal situaties waardoor er een fout van de eerste soort kan optreden? Dezelfde vraag voor een fout van de tweede soort. Of populair gezegd: Leerling a beheerst de stof en krijgt een onvoldoende. Hoe zou dat gekomen kunnen zijn? En leerling b snapt er geen donder van en haalt een voldoende. Waar kan dat aan liggen? (Betrek in je beschouwing allerlei 'partijen': de leerling, de docent, het proefwerk, de omstandigheden tijdens de toets, ...)
Als ik nu informatie op wikipedia bekijk http://en.wikipedia.org/wiki/False_positive#Type_I_error
Dan vind ik de vraag vind ik een beetje vaag; ik kom tot de volgende conclusie:
Een fout van de eerste soort is: een leerling krijgt ten onrechte een voldoende
Een fout van de tweede soort is: een leerling krijgt ten onrechte een onvoldoende
Klopt het wat ik zeg, of zie ik het nu verkeerd?
Puzzels