in mijn examenbundel staat de volgende opdracht:
eiwitten in voeding
Er zijn essentiële en niet-essentiële aminozuren. Essentiële aminozuren moeten in de voeding voorkomen; niet-essentiële aminozuren kunnen in het lichaam worden gesynthetiseerd.
De eiwitkwaliteit van de voeding wordt vooral bepaald door de aanwezigheid van de essentiële aminozuren. Een eiwit waarin alle essentiële en niet-essentiële aminozuren in voldoende mate voorkomen en in een onderlinge verhouding die weinig afwijkt van de aminozuursamenstelling van het lichaamseiwit, noemt men een eiwit met een hoge biologische waarde
De biologische waarde (BW) van moedermelk is gesteld aan 100.
Waarom heeft gelatine een BW van 0?
A. doordat gelatine slecht verteerd wordt
B. doordat gelatine voornamelijk uit essentiële aminozuren bestaat
C. doordat gelatine bijna uitsluitende uit niet-essentiële aminozuren bestaat
Het antwoord moet C zijn, maar mijn vraag is eigenlijk hoe weet je dit?
volgens mij worden we (vwo eindexamen biologie) niet verondersteld te weten welke aminozuren in gelatine zitten.
staat er misschien iets in de binas?
wat ik over gelatine weet:
het is gemaakt van botten, dus er zitten de zelfde eiwitten/aminozuren in als in botten, maar daar weet ik verder ook vrij weinig over.
Kan iemand misschien een redenering bedenken gebruik makend van de info uit de binas/ bekend veronderstelde informatie voor een vwo'er?
Puzzels