Ion suppression is het verschijnsel dat de vorming van een ion -een coeluerende component bij ESI-LCMS- de detectie van je analiet onderdrukt. Dit kan o.a. de volgende oorzaken hebben:
verschil in concentratie - als de component die je wilt meten, coelueert met een zeer grote concentratie van een andere vebinding -uit de matrix?- dan treedt er competitie op, zelfs al is de ioniseerbaarheid -protonaffiniteit- van je matrixcomponent kleiner dan die van de component die je wil analyseren.
verschil in protonaffiniteit - ESI is een ionisatiemethode waarbij ionisatie plaatsvindt in de vloeistoffase op grond van protonaffiniteit. De verbindingen met de hoogste protonaffiniteit -de meest basische verbindingen- zullen de hoogste respons geven.
verschil in oppervlakteaffiniteit - verbindingen met een hogere oppervlakteaffiniteit dan de analiet zullen zich meer aan het oppervlak van de 'droplets' van de electrospray bevinden, waardoor ze sneller als vrije ionen vrij zullen komen.
Zie voor het mechanisme van electrospray ionisatie:
http://www.bama.ua.edu/~chem/seminars/stud...3/petch-sem.pdf
In grote lijnen sluit ik me aan bij Napoleon1981. Hij noemt het gebruik van C13 gelabelde standaarden. C13 gelabelde standaarden zijn altijd de beste interne standaarden, maar in de praktijk zijn die vaak niet beschikbaar. Bovendien verandert het gebruik van C13 gelabelde standaarden niets aan de detectiegrens: ook zo'n interne standaard is in gelijke mate als je analiet onderhevig aan competitie. De beste manier om dit probleem op te lossen is een selectieve monstervoorbereiding (LLE, SPE) of/en een heel goede chromatografie.........