Reactie onwetend.
Ik citeer.
Eigenlijk het leukste van de theorie zit in iets wat significant anders is dan de huidige theorie, maar waarvan ik later toch bedacht dat het niet eens zo gek is. Ik heb het over de beginstand als lijn ipv als punt
Immers is hetvolgende bekend:
punt = 0-dimensionaal
lijn = 1-dimensionaal
driehoek = 2-dimensionaal
kubus = 3-dimensionaal.
Hier heb ik nog eens over nagedacht en in combinatie met mijn werk wil ik dit op de volgende manier voorstellen om dit te benaderen.
- Een punt is 0 dimensionaal is mij helemaal niet duidelijk waarom dit zo zou zijn. Met het kleine beetje wiskunde dat ik denk te kennen kun je dit zo niet stellen. Je behoort eerst iets te definiëren om het vervolgens te kunnen dimensioneren. Bij heel eenvoudige vormen zijn er weinig of zelfs misschien maar één optie om dit te definiëren. Bij een punt hebben alle dimensies bij voorbaat al een grootheid van 0 wat inhoud dat het niet rekenkundig te bepalen is of je stelling van 0 dimensionaal juist zou kunnen zijn. Ik denk met hetzelfde recht te kunnen zeggen dat een punt oneindig veel dimensies kan kennen wat eveneens niet te bewijzen is omdat de grootheden 0 blijven en eveneens niet rekenkundig te bewijzen valt.
- Een lijn is eendimensionaal is duidelijker al moet ik zeggen dat een kromme en een rechte lijn hetzelfde zou zijn in dit verband. In verband met het volgende punt onder 3 vind ik dit ook moeilijk.
- Een driehoek is 2 dimensionaal is waar indien de lijnen tussen de punten rechte zijn. Met kromme tussen de punten is dit een krom vlak en zowel 2 dimensionaal als 3 dimensionaal te noemen maar is er dan sprake van een driehoek? Zo benader ik het of dit juist is valt nog te bezien.
- Een kubus is 3 dimensionaal Hier is sprake van 3 richtingen die gevormd worden door rechte welke onderling loodrecht op elkaar staan. Dit is eenduidig in de wiskunde gedefinieerd verwacht ik. Toch als ik dit in verband breng met de formule voor een regelvlak Z = X.Y lijkt dit niet zo vanzelfsprekend waar ik later nog op terug
Onder punt 3 en 4 wil ik het iets uitgebreider hebben in combinatie met mijn werk. In mijn werk bewijs, stel ik alles voor doormiddel van algebraïsche vergelijkingen en de lijnen,lijnstukken die ik gebruik zijn rechte. Een driehoek kan niet anders dan 3 aaneengesloten rechte zijn tussen zijn 3 (hoek)punten waardoor deze altijd plat moet zijn. Mogelijk,wellicht bedoel je dit ook met je vergelijkingsrijtje dat dit automatisch afgedwongen wordt al benader je dit vanuit een andere insteek. Als je in mijn voorstelling het krom vierkant of ruit neemt is dit moeilijker. Dit zijn 4 (dit gaat niet anders) aaneengesloten rechte met gelijke lengte tussen 4 (hoek)punten en is dit nu 3 of 2 dimensionaal. 4 Rechte tussen 4 punten zijn niet vanzelfsprekend aaneengesloten. Met 6 rechte tussen 4 punten zou het zou bijvoorbeeld ook een piramide kunnen zijn met een driehoek als grondvlak en het 4
e hoekpunt boven het grondvlak. Ik geef maar een voorbeeld om me zo ongeveer uit te drukken van waar ik naar toe wil.
Wat jij in je reactie illustreerde in combinatie met het uitzoeken tot op het bot. Daar wil ik een draagvlak voor vinden dat,dat zinvol is. Misschien wilde je hier mee bewijzen dat algebraïsche vergelijkingen (dikwijls) zelf aangeven hoe dat je ze moet definiëren en dimensioneren. (dit volgt uit de logica) Het soortgelijk probleem heb ik onder andere met de wiskundige beschrijving van regelvlakken in mijn meetkundig stuk relativiteitsmeetkunde (aanschouwbaar). In een opmerking aan Bartjens heb ik dit ook aangegeven. Hier had ik stevig commentaar op gehad. Ondanks dat wil ik deze veronderstelling bewijzen of er in ieder geval er een draagvlak voor te creëren om deze veronderstelling meer aannemelijk te maken zodat wiskundige willen helpen dit juist te beschrijven. Omgekeerd heb ik zorgen dat ik het wiel voor de tweede keer uitvind.
Op de website (
http://en.wikipedia....i/Ruled_surface) vond ik de formule Z = X x Y om het algebraïsche regelvlak te beschrijven. Mij is zo’n formule als niet wiskundige niet zo van zelfsprekend. Ik heb hem benaderd zodat hij (voor mij? ) vanzelfsprekend is. Maar het probleem wordt dan dat ik er naar mijn idee geen ruitvormig regelvlak mee kan beschrijven maar alleen een vierkantvormig regelvlak. Van een X en Y richting is eigenlijk geen sprake bij een ruitvormig regelvlak omdat deze niet loodrecht op elkaar staan. Zie de bijlage. Ruitvormig en vierkantvormig regelvlak.
Naar mijn idee zijn logisch bezien de volgende meetkundige uitgangspunten van toepassing bij het gebruik van de formule Z = X x Y of Z = X.Y
- Omdat men de letters Z,X en Y gebruikt welke overeen komen met het coördinaten stelsel van Descartes ga ik er vanuit dat de richtingen in de Z, X en Y richting loodrecht ten opzichte van elkaar staan.
- Omdat men X en Y welke in deze formule gelijk van lengte zijn kwadrateert men deze is dit een vierkantsvergelijking waar een loodrechte hoek bij hoort.
- De Z, X en Y liniaal behoort hetzelfde betreffende lengte eenheden te zijn. Dit houd vervolgens automatisch in dat als Z,X en Y alleen op 1 gesteld kunnen worden als het krom vierkant in een kubus staat van het vierkantvormige regelvlak. Wordt het krom vierkant kleiner krijgen we breuken, fractionele getallen voor de Z,X en Y richting. Vanuit de eenheid 1 bezien betekend dit dan dat oneindig klein en oneindig groot even uitgebreid zijn zoals Newton ons dit leerde met de omgekeerde kwadratenwet.
Nu gaan we over naar het bekijken en het globaal beschrijven van de bijlage Ruitvormig en vierkantvormig regelvlak. Fig. 1 geeft een krom vierkant weer met de vormsoort immers wat ik aan geef door een streepjes lijn. Hier stellen we de X,Y en Z richting op 1. Dit krom vierkant blijf ik vervolgens in de Figuren 2 en 3 weergeven. Hetzelfde doe ik ook met de kromme ruit in Fig. 4 Het enige verschil is dat de X en Y richting niet loodrecht op elkaar staan. In Fig. 2 maak ik het krom vierkant 2 keer zo groot en in Fig. 3 maak ik het 2 keer zo klein. En in Fig. 5 maak ik de kromme ruit 2 keer zo groot en in Fig. 6 maak ik hem 2 keer zo klein. Nu komen we tot de stelling dat we dat de zijde van het krom vierkant of ruit we als een diagonaal in een oppervlak van de 4 aaneengesloten oppervlakken kunnen zien. Dit oppervlak wordt gevormd door X x Z. Z bestaat omgekeerd al uit X x Y en dus uit 3 Factoren, dimensies? Naar deze vorm van beredeneren zou Y dan de 4
e dimensie kunnen zijn. Ik zeg nog maar waar ik aan denk.
We constateren ook in de figuren 1 t/m 3 en 4 t/m 6 dat dit voor het krom vierkant en kromme ruit hetzelfde is. De Z en X richting zijn ten opzichte van elkaar 90 gedraaid omdat dit in de relativiteitsmeetkunde (aanschouwbaar) ook het geval is.
De afstand en kruispunt tussen de zijde is bij het kromvierkant op de middellijn ervan.
De afstand tussen de zijde is bij het kromme ruit niet de middellijn ervan en het kruispunt staat naast de middellijn. Deze twee bevindingen staan met elkaar in verband en zijn niet als op zich zelfstaande bevindingen in te zien welke in het stuk relativiteitsmeetkunde (aanschouwbaar) beschreven wordt.
De vragen mijnerzijds zijn ten 1
e Omdat men de letters Z,X en Y gebruikt welke overeen komen met het coördinaten stelsel van Descartes ga ik er vanuit dat de richtingen in de Z, X en Y richting loodrecht ten opzichte van elkaar staan als men deze gebruikt. Ten 2
e De X en Y welke in deze formule gelijk van lengte zijn kwadrateert men. Dit is een vierkantsvergelijking waar een loodrechte hoek bij hoort. Ten 3
e Zijn de X,Y en Z richtingen wat eenheden betreft aan elkaar gelijk. Of kunnen hier verschillen in zitten.
Dit zijn voor mij vragen van wat er in de wiskunde hierover afgesproken is. De evenredigheid van een regelvlak kan zonder deze 3 voorwaarden gegeven worden en het lijkt erop dat dit het enigste is wat men met de formule Z = X.Y weergegeven kan worden. Vandaar deze vraag.
Daarnaast ben ik benieuwd wat je van mijn reactie vond en of er bereidheid is om het populaire wetenschappelijke boek Zwaartekracht te lezen en of op een andere manier samen te werken.
Vriendelijke groeten,
Frank.