De derde post.
ConocimientA schreef:Anardo,
Ik vind het jammer dat je niet ingaat op de kritieken die ik al eerder noemde, maar ik zal proberen je concrete vragen te beantwoorden.
Nu begin je wéér over eerdere kritieken die ik allang had behandeld. Je hebt het toch niet toevallig over kritieken vóórdat je aan Jarsin's boek begon, hè? Want daar begin ik écht niet aan. Heb ik geen tijd voor.
Aangezien zijn boek vol staat met verkeerde interpretaties van theorieën, ongefundeerde aannames en onbeargumenteerde conclusies, heb ik ervoor gekozen me te beperken tot de dingen die hij op bladzijde 23 en 24 zegt.
Wat aardig van je.
En dan begin ik met de volgende zinnetjes:
Bij mensapen en mensen is het zelfs zo dat zij de enige dieren lijken te zijn die in hun spiegelbeeld zichzelf herkennen. [De bewering uit 2001 van de biologen Diana Reiss en Lori Marino uit de Verenigde Staten dat dolfijnen dat ook kunnen wordt, in mij ogen, geheel niet met overtuigende bewijzen gestaafd.]
Nog afgezien van het feit dat je hiermee gelijk twee grammaticale fouten te pakken hebt (mij i.p.v. mijn en ontbrekende komma tussen twee persoonsvormen), is dit een conclusie die hij trekt zonder ook maar enig argument te geven. Wanneer ik de details van dit onderzoek op internet bekijk, vind ik overigens geen enkele reden de resultaten van dit onderzoek zonder meer te verwerpen.
Jarsin heeft daar blijkbaar een andere mening over. Welke die mening is en waarom hij die niet heeft uitgelegd weet ik niet. Ik beoordeel een boek niet op één alinea.
Jarsin vervolgt:
Bij alle dieren bemerken wij [althans, dat bemerkte ik] dat zij slechts in actie komen als zij zintuiglijk worden geprikkeld, óf (dat kunnen wij vermoeden) als hun lichamelijke gesteldheid daarvoor de aanleiding is. Deze reacties komen zowel bij ongewervelden als gewervelden voor. Bij vissen, amfibieën en reptielen volgt na prikkel (zintuiglijk of somatisch) een altijd terugkerend kenmerkend stereotiep soortgedrag. Bij zoogdieren en vogels zijn de gestimuleerde verrichtingen minder eentonig en komt er, zeker wat de hogere zoogdieren betreft, veel meer individueel gedrag voor. Bij de mens echter, komen we iets eigenaardigs tegen. Wij merken dat hij vaak anders handelt dan je op grond van zijn hoedanigheid zou verwachten. Hij vertoont eveneens een habitus zonder dat hij daartoe zijn omgeving (exteroceptief) of lichaam (interoceptief) wordt aangezet, d.w.z. zonder dat er in zijn nabijheid of corporeel aanleiding toe bestaat. De mens is het enige dier dat spontane, niet door externe of interne sensorische prikkels beïnvloede, gedragingen heeft.
Ten eerste vraag ik me af welke sensorische prikkel ertoe leidt dat een hond zijn eigen staart achterna rent of naast je op de bank komt liggen om liefdevol zijn kop in jouw schoot te leggen. Ook zie ik niet goed wat de sensorische prikkel is die voorafgaat aan het speelse gedrag van welpjes of andere jonge dieren. Er is wel degelijk een prikkel, maar sensorisch is die niet. Uit zijn observatie dat mensen gedragingen hebben die niet vooraf zijn gegaan door sensorische prikkels, concludeert Jarsin later dat er dus helemaal geen prikkel voorafging aan dit gedrag. Dit klopt, zoals ik eerder ook al zei, niet. Er gaat altijd een prikkel aan vooraf, deze hoeft alleen niet per sé sensorisch te zijn. De prikkel kan ook motivationeel, emotioneel of cognitief zijn.
Deze vraag heb ik al beantwoord.
Jarsin vervolgt:
Nu is ook deze veronderstelling niet nieuw. De Schotse associatiepsycholoog Alexander Bain (1818-1903) betoogde in de 19e eeuw al dat actie of beweging onafhankelijk van enige uitwendige stimulus kan bestaan. Alleen ga ik ervan uit dat deze mogelijkheid alleen bij mensen voorkomt.
Alexander Bain zei in zijn boek The senses and the intellect in 1855 dat het menselijk denkproces niets anders is dan mentaal gedrag. Hiermee bedoelde hij dat je cognities en dergelijke ook kunt zien als gedrag. Hij zei niet dat gedrag, zoals Jarsin het bedoelt, kan plaatsvinden zonder stimulus. Hij zei alleen dat de stimulus ook mentaal kan zijn en noemde deze mentale stimulus covert behavior, oftewel mentaal gedrag. Iets waar Jarsin zich sowieso volgens mij in vergist heeft, is dat hij het woord gedrag in teksten van wetenschappers en psychologen heeft geïnterpreteerd als handelen. In de psychologie vallen onder het begrip gedrag echter ook activiteiten als waarnemen, onthouden, voorstellen, denken, streven en voelen.
Verderop in zijn boek zul je zien dat hij ook dit als gedrag bedoelt.
Jarsin vervolgt:
Toen ik me dit gegeven realiseerde wist ik waarom ons bewustzijn klaarblijkelijk verschilt met dat van andere zoogdieren.
Vind je dat nou niet ongelofelijk knap? Dat hij dankzij de beperkte tekst, die ik hiervoor letterlijk heb weergegeven, blijkbaar precies weet wat de mens onderscheidt van andere zoogdieren?
Ja, ja, doe maar sarcastisch! Leef je uit!
Hij vervolgt door te vertellen dat de voornaamste psychologische scholen, die zich hebben beziggehouden met het mentaal functioneren, het Structuralisme, het Functionalisme, het Behaviorisme en de Gestaltpsychologie zijn. Ik denk dat hij daarmee een aantal belangrijke stromingen vergeet, maar goed
Als dat zijn enige fout zou zijn
Zie voorgaande.
Over het Behaviorisme zegt Jarsin:
Deze stroming stelt dat de prikkels of stimuli aan de ene kant en de reacties aan de andere kant van de motorsensorische boog de enige reëel waarneembare verschijnselen van hersenactiviteit zijn. Volgens hen zijn de hersenen te beschouwen als een zwarte doos waardoor alleen de stimuli en responsen (als uiterlijk observeerbaar gedrag) waar te nemen zijn en niet andere begrippen zoals motivatie, denken of vrije wil. Zij introduceren daarom de stimulus-respons of S-R-methode.
Het gaat te ver om hier het Behaviorisme helemaal uit te leggen, maar ik zal de basis kort weergeven. Het Behaviorisme ontstond doordat wetenschappers zoals Watson vonden dat psychologie alleen een wetenschap zou zijn, wanneer zij het uiterlijk waarneembare gedrag zou bestuderen. Kennis, bewustzijn, beleving en motivatie werden echter niet geheel genegeerd. Deze factoren werden herleid tot waarneembare spier- en klierreacties, zodat ze objectief meetbaar werden en dus geschikt voor wetenschappelijke toetsing. Zo kon angst bijvoorbeeld worden gemeten door vermijdingsgedrag of fight-or-flight reacties van het lichaam. Kritiek op deze denkwijze was dat het heel geschikt was als basis voor onderzoek, maar weinig bruikbaar in de praktijk. Jarsin vertelt in zijn boek dat in reactie op het onvermogen van het behaviorisme hersenarbeid intern te kunnen bestuderen eerst de Gestaltpsychologie ontstond en nu pas het neo-behaviorisme is ontstaan. Waarbij hij zegt dat ook deze laatste stroming nog steeds uitgaat van observeerbaar gedrag. Ik denk niet dat hij het helemaal heeft begrepen. In werkelijkheid ontstonden er al vrij snel twee stromingen, het behaviorisme en het cognitivisme. De eerste zette het gedrag centraal, de tweede de cognities. Onder die laatste viel ook de Gestaltpsychologie. Het behaviorisme werd al vrij snel door wetenschappers als Woodworth (1869-1962) uitgebreid. Er werd niet langer uitgegaan van S-R, maar S-O-R ontstond. In eerste instantie omvatte die O de fysiologische en motivationele toestanden, later vielen hier ook persoonlijkheidskenmerken en cognities onder. Het behaviorisme en cognitivisme groeide steeds meer naar elkaar toe en de laatste decennia wordt uitgegaan van het volgende model:
- CS CER COV CAR SR
CS = Situatie
CER = Geconditioneerde emotionele reactie
COV = Cognitieve interpretatie
CAR = Geconditioneerd gedrag
Sr = Bekrachtiging (+S+, -S+, 0S+, +S-, -S- of 0S-)
Bekrachtiging of beloning is hierbij niet alleen materieel. Bij mensen zijn de sociale beloningen waarschijnlijk het belangrijkst. De reden dat dit een sterke theorie is die niet zonder argumenten verworpen kan worden, is dat onderzoek volgens deze theorie al vele zaken heeft kunnen verklaren. Bovendien blijkt de theorie erg nuttig te zijn voor onderwijs en opvoeding. Ook effectieve behandelmethoden, zoals bijvoorbeeld exposure in vivo, werken volgens deze theorie.
Jarsin verwerpt de theorie niet, hij vind hem ontoereikend. En niet alleen hij.
Tot slot eindig ik mijn betoog door te vertellen dat het eerste de beste basisboek over psychologie (Psychology van Bernstein, Clarke-Stewart, Roy en Wickens) in 1997 al schreef:
Consciousness can be defined as awareness of the outside world and of ones own mental processes, thoughts, feelings, and perceptions.
Met awareness bedoelen ze hier hetzelfde als Jarsin bedoelt met waarneming. De reden dat ze hier niet voor het woord waarneming hebben gekozen, is dat met dit woord in de psychologie doorgaans perceptie wordt bedoeld. Waarneming zoals Jarsin het bedoelt is eerder apperceptie evenals het awareness van Bernstein.
In vele psychologische handboeken zal dit wel te lezen zijn. Natuurlijk, bewustzijn is ook apperceptie, mentale processen, gedachten, gevoelens en waarnemingen. Dat is al langer bekend. Maar Jarsin legt gewoon uit, dat vind ik althans, hoe dat precies in zijn werk gaat. Vandaar dat schema in zijn boek.
Nu, ik hoop dat je tevreden bent. Zo niet, dan heb je pech gehad.
Anardo