Wanneer je een meting doet om te kijken of je een deeltje op
\(x=0\)
bevindt, meet je dus niet de golffunctie
\(\Psi\)
, maar de kansdichtheidsverdeling
\(\Psi^{*} \Psi\)
op
\(x=0\)
.
Wat je eigenlijk wil meten is deze kansdichtheidsverdeling. Het collapsen van de golffunctie kun je vergelijken met het kijken naar een dobbelsteen. Wanneer je een dobbelsteen werpt en je bekijkt het resultaat niet, is de kansverdeling
\(p=\frac{1}{6}\)
voor elke mogelijke uitkomst 1 t/m 6. Wanneer je echter kijkt en je ziet dat je een 3 gedobbeld hebt, weet je met een kans
\(p=1\)
dat de uitkomst 3 is. Om de kansverdeling te meten, moet je oneindig vaak dobbelen. Hetzelfde geldt voor een meting aan een deeltje. Wanneer je een deeltje op
\(x=0\)
gemeten hebt, weet je zeker dat het deeltje zich daar bevindt op het tijdstip van je meting. Er geldt dan
\(\Psi^{*} \Psi = \delta(x)\)
, waarbij
\(\delta(x)\)
de welbekende Dirac delta functie is. Het enige verschil met je dobbelsteen is dat de kansverdeling om het deeltje aan te treffen tijdsafhankelijk is. Wanneer je een minuut later nog eens meet zonder ook maar iets te doen, dan weet je dat die dobbelsteen nog steeds op 3 ligt, maar kan je deeltje zich ergens anders bevinden.
Volgens mij heb je geen nulpuntsfluctuaties nodig om dit fenomeen uit te leggen, maar worden deze gebruikt om virtuele deeltjes te verklaren.