Volgens mij was dit nog niet rechtgezet:
wiskunde321 schreef: ↑ma 06 dec 2021, 20:54
Zuurconstante CH3COOH = 1.8 *10^-5
dus concentratie H3O+ in tweede is 0.0000018 en in eerste 0.10 Ph= -log(0.1+0.0000018) =1
Misschien is het een typfout maar ik ben bang dat het een verkeerde aanpak is. 0.0000018 is 1.8 x 10
-6 en ik ben bang dat je hierop uit bent gekomen door zuurconstante met de concentratie azijnzuur te vermenigvuldigen.
Onder bepaalde omstandigheden is de concentratie gelijk aan de
wortel van dit product K
z*C
0. Dit is bij de berekening van de pH aan een oplossing van een zwak zuur, waarbij ook nog moet gelden dat de concentratie hoog genoeg moet zijn en het zuur ook echt zwak. En natuurlijk, dat er verder geen andere bijzonderheden zijn. Met andere woorden: niet bij deze opgave, en sowieso had dan de wortel getrokken moeten worden.
Het gaat vooral mis omdat er in eerste instantie gevraagd wordt naar een tabel en vervolgens deze tabel niet wordt opgesteld / ingevuld. Wel half maar niet helemaal en de bijbehorende berekening wordt ook niet gemaakt. Maar ik denk dat het voor eventuele meelezers instructief kan zijn om dat toch te doen. Hierbij min of meer een samenvatting van een aantal dingen die eerder gezegd zijn, hopelijk in een overzichtelijk geheel:
Voor berekeningen aan evenwichten is het altijd goed om een tabel te maken om bij te houden wat er voor de verschillende concentraties geldt. Een tabel is bijvoorbeeld in de vorm begin / omzetting / eind. Deze kun je voor deze opgave opstellen door net te doen alsof je eerst de HCl in oplossing brengt en daarna de azijnzuur toevoegt. Het gaat hier om evenwichten, en het maakt voor de ligging van een evenwicht niet uit in welke volgorde je dingen doet. Maar voor de berekening wel.
Je kunt dan dus zeggen: Stap 1 is het maken van de HCl-oplossing. Voor die stap zelf hoeven we geen tabel te maken maar het helpt wel voor het maken van de tabel voor stap 2.
HCl is een sterk zuur dus de concentratie H
+ is gelijk aan de analytische concentratie, 0.1 mol/L
[H
+] = 0.1 mol/L.
Stap 2 is het toevoegen van de azijnzuur aan deze 0.1 M HCl-oplossing. Voor HAc geldt het volgende evenwicht:
HAc
H
+ + Ac
-
En voor de concentraties zeggen we: Stel dat x mol/L HAc dissocieert. Hoe worden dan de concentraties?
[HAc]=0.1-x (begin: 0.1, omzetting -x, eind 0.1-x)
[Ac
-] = x (begin 0, omzetting +x, eind 0.1+x)
[H
+] = 0.1 + x (
begin 0.1, omzetting +x, eind 0.1+x)
Dit is in feite hetzelfde als voor een "normale" berekening aan een zwak zuur. Alleen stel je daar [H
+ = x, waarbij je er vanuit gaat dat deze op het begin 0 is (stiekem verwaarloos je dus de H
+ van het waterevenwicht)
De evenwichtsvoorwaarde is
\(K_z=\frac{[H^+][Ac-]}{[HAc]} = \frac{(0.1+x)x}{0.1-x}\)
Dit kun je omschrijven naar een vierkantsvergelijking die je kunt oplossen, maar beter verwaarloos je hier de termen die je kunt verwaarlozen. De discussie gaat nu over "regeltjes" over wanneer je wel en niet mag verwaarlozen, maar met het kennen van die regels schiet je niet zo veel op. Want zodra de situatie iets anders (zoals hier) gaan die regels niet meer op, en wat dan? Beter begrijp je waarom je wel of niet mag verwaarlozen: Het mag wel als je een term hebt die klein is ten opzichte van een andere term waar je hem bij optelt of van aftrekt. In dit geval is de vraag dus of x klein is ten opzichte van 0.1. En als dat zo is, dan mag je hem in beide gevallen (zowel bij HAx als bij H+) verwaarlozen
Nu kun je een redenering maken (op basis van ervaring met berekeningen aan zwakke zuren) dat die x ook in deze vergelijkingen verwaarloosbaar zal zijn. Goed om te doen. Maar \hHet mooie is dat je niet eens van tevoren hoeft te beredeneren of dat zo is: probeer het uit, en kijk dan of het terecht was. Dat stelde Margriet al eerder voor.
In dit geval:
[HAc]=0.1
-x
[Ac
-] = x
[H
+] = 0.1
+ x
De evenwichtsvoorwaarde is:
\(K_z=\frac{[H^+][Ac-]}{[HAc]} = \frac{0.1x}{0.1}\)
Dus x = K
z = 1.8 x 10
-5
En dat is verwaarloosbaar ten opzichte van 0.1, want het is bijna 10.000 keer kleiner. Dus de verwaarlozing was terecht.
Mocht uit de berekening blijken dat het niet terecht is, dan kun je op dat moment alsnog de volledige berekening doen.
Voor een geval waarin een verwaarlozing niet terecht zou zijn: bereken de pH van een 0.05 M H
2SO
4 oplossing. Daarbij moet je er rekening mee houden dat de tweede dissociatiestap (van HSO
4-) zwak is, maar tegelijkertijd is die sterk genoeg om niet klakkeloos te kunnen verwaarlozen in de berekening. Succes
