Wat nachtwerk, maar
Volgens mij (als ik het goed begrijp) is het enige dat in deze opgave werkelijk een remmend effect kan geven het Poynting–Robertson effect, dus wat dat betreft is Ukster op de juiste weg.
Dat effect treedt echter alleen op bij volledige absorptie én isotrope re-emissie in het eigen frame van het object. In dat geval lijkt de invallende straling door lichtaberratie van voren te komen (in het bewegende frame), waardoor er een kleine kracht tegen de bewegingsrichting ontstaat.
Zonder re-emissie (of bij perfecte spiegeling) is die kracht er niet, maar is er alleen loodrechte stralingsdruk.
(Het enige relativistische aspect is hier dan ook relativistische aberratie.)
Het netto remmende effect is extreem klein dat het in deze oefening zo’n 6,5 miljard jaar zou duren om het object van 10 m/s naar 1 m/s af te remmen. Vandaar dat het Poynting–Robertson effect normaal gesproken alleen relevant is voor kleine stofdeeltjes in de ruimte, niet voor grotere objecten.
De benadering met veranderende rustmassa en Lorentzfactoren is hier (naar mijn idee) niet bruikbaar. De snelheden zijn veel te laag om relativistische massa of impuls relevant te maken, en er is geen sprake van noemenswaardige energie- of massaoverdracht.
Maar dit is gewoon een losse denkpuzzel zonder praktisch doel - geen fysisch onmogelijke massa-energie opslag voor aandrijving - begrijp ik. (Allemaal afsplitsingen in topics, wat ook een puzzeltje is

)
(Wel interessant m.b.t. het Poynting–Robertson effect vond ik.)
In de literatuur komt het Poynting–Robertson-effect regelmatig fout of onvolledig aan bod, onder meer doordat men stralingsdruk verwart met PR-drag, relativistische aberratie negeert, verkeerd gebruik van de Lorentz-factor of relativistische massa (het PR-effect is geen gevolg van relativistische impulsverandering of massa-energieconversie. Veel afleidingen trekken onterecht een veranderende rustmassa in het spel), geen onderscheid maken tussen soorten interactie of de remming onterecht schuiven naar impulsveranderingen of massa-energieconversie in plaats van aberratie.
Zie:
Klačka (1993) – “Misunderstanding of the Poynting–Robertson Effect”