Rogier schreef:HosteDenis schreef: schreef:
Ik begrijp wat je bedoeld met 'iets tussenin' 'gevuld' en 'leeg'. Feitelijk zie ik een vacuüm als 'leeg', en vanaf er zich ook maar één partikel binnenin een ruimte bevindt, dan is die ruimte niet meer 'leeg', i.e. 'gevuld'. 'Gevuld' hoeft naar mijn mening niet op een 'geheel gevulde ruimte' te slaan. Het hoeft niet 'nokvol gevuld' te zijn om 'gevuld' te zijn, als je begrijpt wat ik bedoel.
Ik denk het wel. Maar hoe zit dat met de volgende situatie; Zie hier een lege ruimte:
Stel, nu zit er een deeltje in. Nu is de ruimte dus niet meer leeg:
Maar zijn er nu nog bepaalde gebieden in de ruimte die je wel leeg noemt? Bijvoorbeeld:
Het groene gebied is nu niet meer leeg. Maar het rode gebied, is dat nog steeds lege ruimte? (merk op dat dat rode stuk er precies zo uit ziet als de lege ruimte in het eerste plaatje)
Je snapt mijn idee helemaal, en alvast bedankt voor de mooie voorstelling, ik kon het zelf niet beter gedaan hebben. Waar heb je overigens die afbeeldingen vandaan, zelf gemaakt?
Maar om op je vraag te antwoorden; inderdaad, de rode ruimte is wat ik definieer als lege ruimte. En indien hier weer een partikel in terecht komt, verdelen we deze nieuwe (rode die groen geworden is) ruimte weer in groene en rode ruimte, zodat we weer een nieuwe rode ruimte bekomen. Er zal altijd wel een rode ruimte bestaan.
Het probleem hiermee is dat je alle stukken ruimte om alle deeltjes heen gevuld noemt (even in het midden latend hoe veel ruimte je om ieder deeltje heen neemt), en de rest nog steeds leeg. Maar dat onderscheid, die grens waar een deeltje ophoudt en lege ruimte begint, die is er niet.
Er bevindt zich inderdaad geen duidelijke afbakening of enige fysische grens tussen een gebied waar een deeltje zich bevindt, en waar niet. Maar die hoeft er ook helemaal niet te zijn om twee zones, (naar jou voorstelling, een groen en een rood gebied) te vormen. Wanneer ik zout over tafel strooi, zul je allemaal korrels zien liggen. Ook hier bestaat geen afbakening tussen de korrels (groen gebied) en de tafel waar geen korrels liggen (rood gebied). Hieruit kunnen we dan toch afleiden dat er zich altijd wel een rode ruimte zal bevinden, waar niet één groene ruimte is?
Met elektronen (of andere partikels, als het erop aankomt) ligt het natuurlijk wat ingewikkelder. De groene gebieden van een elektron worden bepaald door de golffunctie van het elektron, een zekere trefkans, waar het elektron zich bevindt. Hier haal ik ook even een afbeelding ter illustratie bij:
Deze afbeelding vormt een illustratie van een atoom met alle s- en p-orbitalen, weergegeven in een stippendiagram. Deze orbitalen (die elk afzonderlijk maximum 2 elektronen huisvesten) zijn een grafische voorstelling, een drie-dimensionale functie van waar we het elektron met een trefkans van 90% kunnen aantreffen. M.a.w., orbitalen vormen voor 90% het groene gebied van een elektron. De overige 10% trefkans waar we het elektron zullen aantreffen, bevindt zich in de ruimte, niet aangegeven op de afbeelding, namelijk de ruimte waar stippen ontbreken. Deze stipafwezigheid, de plaats waar de elektronen niet voorkomen (behalve dan voor die laatste 10% trefkans), vormt het rode gebied binnenin een atoom.
Volgens mij bevindt zich dus binnenin het atoom, op de plaatsen van stipafwezigheid binnen het stippendiagram, de rode zone van elektronen. En we zien duidelijk dat de stipafwezigheid-zone meer dan 9% van de stipaanwezigheid-zone vormt, waaruit we kunnen concluderen dat er zich wel degelijk met een trefkans van 10% elektronen binnenin het rode gebied (stipafwezigheid-zone) kunnen bevinden, maar deze trefkans maakt niet het hele rode gebied op, waaruit we kunnen concluderen dat er nog rood gebied moet overblijven.
En nu beweer ik dus dat er binnen het atoom, minstens één plaats bestaat (zelfs al is die maar
\(10^{-35}m\) groot) waar enkel rode partikelgebieden overlappen, en niet één groen gebied interageert.
In bovenstaand voorbeeld bevindt zich het deeltje in zekere zin ook in het rode gebied. In mindere mate, maar toch (dat is ook de moeilijkheid, dat een deeltje ergens in meer of mindere mate kan bestaan of aanwezig kan zijn). Zelfs als bovenstaande situatie in werkelijkheid een kubieke lichtjaar groot is. Zolang er dus ook maar één deeltje in het heelal is, is er nergens in het heelal een echt leeg stuk ruimte.
Partikels kunnen inderdaad in meer of mindere mate ergens aanwezig zijn, maar kunnen dit alleen binnen het trefkansgebied van hun golffunctie. Volgens mij bestaat er aldus een ruimtelijke positie binnen het atoom waar golffuncties niet overlappen, zelfs niet komen; een pure stipafwezigheid-zone, een puur rood gebied. En dat gebied noem ik een absoluut vacuüm.
En of dat absoluut vacuüm bestaat, daar discussiëren we nu over. En of ik gelijk heb, dat valt zwaar te betwijfelen, en ook ik ben bereid mijn fouten in te zien als blijkt dat ik verkeerd ben. Maar nu nog steeds geloof ik in een absoluut vacuüm dat zich op zeer kleine schaal (misschien wel de kleinste) binnenin het atoom bevindt.
Nee ok, ik dacht dat je bedoelde dat virtuele deeltjes niet telden als "vulling".
Dat bedoelde ik niet, mijn excuses als ik het zo liet overkomen. Bij deze verontschuldiging is dat misverstand dan ook rechtgezet.
Voor zover ik begrijp bestaat energie op zich niet als zodanig, maar is enkel een virtueel / abstract begrip om een bepaalde equivalentie tussen verschillende fysische fenomenen aan te geven, zoals tussen massa en kracht/werking. Dus bijvoorbeeld een bepaalde hoeveelheid fotonen van een bepaalde goldlengte representeert een bepaalde hoeveelheid massa, en andersom, en die equivalentie drukken we uit in energie, maar er is geen op zichzelf staande fysische entiteit die we energie noemen.
Energie bestaat inderdaad niet als zodanig, als een entiteit op zichzelf. Waar ik op doelde is de discussie die ik eerder had met Math-E-Mad-X, waarbij ik beweerde dat zich binnenin het atoom een vacuüm bevindt, en hij beweerde dat zich hier energie bevindt.
Ik (en MEMX waarschijnlijk ook) weet dat energie niet als entiteit bestaat. MEMX was correct wanneer hij beweerde dat zich binnenin het atoom energieuitwisseling voordoen. Deze energieuitwisseling gebeuren door het uitwisselen van deeltjes. Met een ruimte met energie bedoel ik dus een ruimte waarin energieuitwisselende deeltjes zich verplaatsen. Ook deze deeltjes hebben een golffunctie en dus een zekere trefkans.
Waar ik nu op doel is dat ook deze deeltjes, door hun trefkans, een (naar jou voorstelling) groen en rood gebied hebben. En dus ook al hebben we heel wat energieuitwisselingen in de ruimte in het atoom, volgens mij bestaat er nog altijd een rood gebied. Stipafwezigheid-plaatsjes in het stippendiagram van alle atomaire en subatomaire deeltjes. En dat is het absoluut vacuüm.
Het gaat in dit geval om kansdichtheid, niet om soortelijk gewicht.
Het gaat hier inderdaad om kansdichtheid, en niet massadichtheid. Ik probeerde met massadichtheid een eenvoudigere voorstelling te geven van kansdictheid, hoe (in dit geval) materie (elektronen) geen massadichtheid (geen kansdichtheid) van 100% hebben.
Overigens zie ik niet waarom de kansdichtheid niet 0% zou kunnen zijn, maar misschien is dat juist waar ik fout zit?
Denis