Laat ik het zo stellen: bij oude katholieke (mogelijk niet representatief, maar dat zijn zowat de enige waar ik wat ervaring mee heb) dinosaurussen schemert in polemieken vaak iets door van "ongelovigen zijn verdwaalde schapen". Daarbij worden atheïsten dus niet als andersgelovigen gezien, maar als mensen die iets mankeren. De nieuwere variant is: "atheïsme is ook een geloof". Dat is volgens mij tegelijk een soort toegeving (men treedt op gelijke voet) als een poging tot devaluatie. Dat laatste zit hem volgens mij in de achterliggende idee dat men een idee gebaseerd op een geloof, niet naar voor kan schuiven als beter alternatief voor een idee gestoeld op een ander geloof. Een relativerende houding wordt op die manier een relativistische houding. Die conclusie trek ik uit het feit dat het argument in feite zelf-evident is: het aandragen van een zelf-evident standpunt is alleen nuttig als de tegenpartij deze evidentie duidelijk niet onderkent, of als er een andere bedoeling achter zit.
In het kader van dit topic stelt het argument volgens mij een soort valse dichotomie: de stelling dat geloven inherent is aan het mens-zijn, kan immers alleen gezien worden vanuit één van de klassieke religies, of de afwijzing daarvan, waarin eveneens een geloofscomponent geduid kan worden. Als het echter mogelijk zou zijn iemand geïsoleerd op te voeden, zodanig dat elk godsbegrip ontbeert, kun je niet-geloven in God, niet meer duiden als een geloof, omdat de kennis daarvoor in deze hypothetische persoon zou ontbreken. Nu kan je natuurlijk stellen dat volkeren die in isolatie leveren, ook godsbeelden hebben, zonder dat deze ooit gehoord hebben van één der klassieke religies. Dit kan echter geduid worden als een poging om te komen tot een beter begrip van de omgevende wereld (net zoals wetenschap er zo één is, overigens).
Wat goedheilige mannen en spaghettimonsters betreft: voor het eerste kan het argument inderdaad een tegengewicht bieden, voor het tweede (zoals ik het gebruik) niet. Ik gebruik het immers niet om parallellen te trekken op geloof (geloof in God is niet gelijk aan geloof in het VSM), wél op bewijsbaarheid, indien de onmogelijkheid daarvan door een tegenstander betwist zou worden. In een discussie over het bestaan van God vind ik het FSM-argument trouwens veel lastiger, omdat je daar nog kan discussiëren over de Bijbel als bewijslast, etc. Voor ongrijpbare constructen als de ziel (die een duidbare filosofische grond hebben die niet tot de vroegchristelijke traditie behoorden) vind ik het nog steeds een handig argument.
Puzzels