Ik heb misschien een interessante link, die eventueel voor wat opheldering kan zorgen omtrent tijd:
http://users.pandora.be/ahmadi/html/pijl_v...an_de_tijd.html
Edit: (Bij mij doet deze link het niet, dus heb ik hem ff uit m'n cache).
De pijl van de tijd:
In de loop van de jaren zijn de opvattingen over de aard van de tijd opmerkelijk veranderd. Tot het begin van deze eeuw geloofde men in een absolute tijd. Dat wil zeggen dat we op iedere gebeurtenis een uniek etiket kunnen plakken met daarop de waarde van de grootheid tijd en dat alle nauwkeurige klokken zullen overeenstemmen over het tijdsverloop tussen twee gebeurtenissen. De ontdekking dat de lichtsnelheid voor iedere waarnemer gelijk leek te zijn, ongeacht zijn beweging, leidde echter tot de speciale relativiteitstheorie; en volgens die theorie moesten we de voorstelling dat er een unieke absolute tijd bestond laten varen. In plaats daarvan had iedere waarnemer zijn eigen tijdsmaat, volgens de klok die hij bij zich had: klokken die door verschillende waarnemers werden meegevoerd hoefden niet per se met elkaar overeen te stemmen. Tijd werd een persoonlijke begrip, afhankelijk van de waarnemer die het mat. Bij de pogingen om de zwaartekracht te verenigen met de kwantummechanica moest men het begrip imaginaire tijd invoeren. Imaginaire tijd onderscheidt zich niet van de richtingen in de ruimte. We kunnen naar het noorden lopen, omkeren en dan in zuidelijke richting lopen. Zo ook zullen we, als we in de imaginaire tijd vooruit kunnen gaan, moeten kunnen omkeren en in de tijd teruggaan. Dit betekent dat er geen wezenlijk verschil kan zijn tussen de voorwaartse en terugwaartse richting; dat weet iedereen, maar waaraan ligt dit verschil tussen verleden en toekomst? Waarom herinneren wij ons het verleden, maar niet de toekomst? De natuurwetten maken geen verschil tussen verleden en toekomst. Of, zoals eerder gezegd, de natuurwetten ondergaan gaan verandering onder de combinatie van de bewerkingen (of symmetrieën) die we kennen onder de afkortingen C, P en T. (C voor charge, lading - betekent het verwisselen van deeltjes door antideeltjes; P voor pariteit betekent het nemen van het spiegelbeeld, zodat links en rechts onderling worden verwisseld; en T voor tijd betekent het omkeren van de bewegingsrichting van alle deeltjes, wat erop neerkomt dat alle beweging terug in de tijd verloopt.) De natuurwetten die het gedrag van materie onder alle normale omstandigheden beheersen, blijven ongewijzigd onder de combinatie van de twee bewerkingen C en P op zich. Het leven zal voor de inwoners van een andere planeet, die zowel ons spiegelbeeld zijn als uit antimaterie zijn samengesteld in plaats van uit materie, dus precies hetzelfde verlopen als bij ons. Wanneer de natuurwetten ongewijzigd blijven bij de combinatie van de bewerkingen C en P en ook door de combinatie C, P en T, moeten ze ook ongewijzigd blijven onder de bewerking T alleen. Toch bestaat er in het dagelijks leven een groot verschil tussen de voorwaartse en terugwaartse richting van de reële tijd. Stelt u eens voor dat er een kopje met water van tafel valt en op de grond in stukken breekt. Als we hier een film van maken kunnen we makkelijk bepalen of de film voorwaarts of achterwaarts afgespeeld wordt. Wanneer we hem achterwaarts afspelen zien we de scherven op de grond snel naar elkaar toegaan en omhoogspringen om op tafel een kopje te vormen. Zulk gedrag wordt in het dagelijks leven beslist nooit waargenomen. De verklaring die meestal wordt gegeven voor het feit dat we geen scherven op de grond naar elkaar zien toegaan om als een heel kopje op tafel terug te springen, is dat dit gedrag in strijd is met de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Deze bepaalt dat in ieder gesloten systeem wanorde, of ook wel entropie genoemd, altijd met het verstrijken van de tijd toeneemt. Het is een soort wet van Murphy: alles gaat altijd verkeerd! Een ongebroken kopje op tafel is een toestand met een hoge mate van orde, maar een kopje scherven op de grond is een wanordelijke toestand. De stap van het kopje op tafel in het verleden naar het gebroken kopje op de grond in de toekomst is snel afgelegd, maar andersom gaat niet. De toename van de wanorde met het verstrijken van de tijd is een voorbeeld van wat we een pijl van de tijd noemen, iets wat het verleden van de toekomst onderscheidt, de tijd richting geeft. Er zijn ten minste drie tijdpijlen. In de eerste plaats is er de thermodynamische pijl van de tijd, de richting van de tijd waarin de wanorde toeneemt. Dan is er ook de psychologische pijl van de tijd. Dit is de richting waarin de tijd voor ons gevoel verstrijkt, de richting waarin we ons het verleden, maar niet de toekomst, herinneren. Ten slotte is er nog de kosmologische pijl van de tijd waarin het heelal uitdijt en niet samentrekt. Ik zal proberen te bewijzen dat de voorwaarde van de onbegrensdheid voor het heelal, samen met het zwakke antropische principe, kan verklaren waarom alle drie de tijdpijlen dezelfde kant opwijzen en bovendien waarom er inderdaad een vastomschreven pijl van de tijd moet bestaan. Ik zal aantonen dat de psychologische pijl wordt bepaald door de thermodynamisch pijl en dat deze pijlen altijd onvermijdelijk in dezelfde richting wijzen. Wanneer we uitgaan van de voorwaarde dat het heelal onbegrensd is, zullen we zien dat daaruit twee welgedefinieerde thermodynamische en kosmologische tijdpijlen volgen, die evenwel niet gedurende de hele geschiedenis van het heelal dezelfde kant opwijzen. Ik zal ook bewijzen dat alleen wanneer ze in dezelfde richting wijzen de omstandigheden zodanig zullen zijn dat er zich intelligente wezens kunnen ontwikkelen die de vraag kunnen stellen: waarom neemt de wanorde toe in dezelfde tijdsrichting als die waarin het heelal uitdijt. Als eerste komt de thermodynamische pijl van de tijd aan de orde. De tweede hoofdwet van de thermodynamica is het gevolg van het gegeven dat er altijd meer ongeordende toestanden zijn dan geordende. Neem bijvoorbeeld een doos met puzzelstukjes. Er bestaat één maar ook slechts één rangschikking waarin de stukjes een complete afbeelding vormen. Aan de andere kant zijn er enorm veel rangschikkingen mogelijk waarin de stukjes wanordelijk door elkaar liggen en geen afbeelding vormen. Stel dat een systeem begint met een van de weinige mogelijke geordende toestanden. Met het verstrijken van de tijd zal het systeem zich volgens de natuurwetten ontwikkelen en zal de toestand ervan veranderen. Op elk later tijdstip is het veel waarschijnlijker dat het systeem zich in een ongeordende toestand zal bevinden dan in een geordende, want er zijn veel meer ongeordende toestanden. Wanneer een systeem aanvankelijk een toestand met een hoge graad aan ordening heeft, zal na verloop van de tijd de wanorde zo goed als zeker zijn toegenomen. Stel dat de stukjes van de legpuzzel beginnen in de geordende rangschikking waarin ze samen een afbeelding vormen. Wanneer we de ondergrond schudden zullen de stukjes een andere rangschikking aannemen. Dit is vermoedelijk een ongeordende rangschikking waarbij de stukjes niet de bedoelde afbeelding vormen, omdat er zoveel meer ongeordende rangschikkingen mogelijk zijn. Sommige groepen stukjes kunnen nog altijd een deel van het plaatje vormen, maar hoe meer we schudden, des te waarschijnlijker is het dat ook deze groepen uiteen vallen en dat de stukjes kriskras door elkaar komen te liggen, zodat ze helemaal geen plaatje meer vormen. De wanorde van de stukjes zal dus vermoedelijk met het verlopen van de tijd toenemen, mits de begintoestand er een is met een grote mate van orde. Stel nu dat het heelal zal eindigen in een zeer geordende toestand, maar dat het er niet toe doet in welke toestand het begon. In de vroegste tijd zal het heelal zich dan vermoedelijk in een ongeordende toestand hebben gevonden. Dit betekent dat de wanorde met het verlopen van de tijd AFNEEMT. We zien scherven naar elkaar toegaan en als kopje terug op tafel springen. Maar ook de mensen die dit verschijnsel waarnemen leven dan in een heelal waarin de wanorde met het verloop van tijd afneemt. Ik zal aantonen dat zulke wezens een psychologische tijdpijl hebben die terugwijst: ze zullen zich gebeurtenissen in de toekomst herinneren, maar geen gebeurtenissen in hun verleden. Toen het kopje brak, herinnerden ze zich het tafel, maar toen het op tafel stond, herinnerden ze zich niet de scherven op de grond. Het is lastig iets over het geheugen van de mens te zeggen, want we weten niet precies hoe de menselijke hersenen functioneren. Van de computergeheugens daarentegen weten we alles af. Ik zal daarom de psychologische tijdpijl voor computers behandelen. Ik denk dat we in alle redelijkheid mogen aannemen dat de pijl voor computers hetzelfde is als voor de mensen. Als dat niet zo was, zouden de computers zich bestanden van de toekomst herinneren; wat niet het geval is Een computergeheugen is in wezen een apparaat dat is opgebouwd uit elementen die elk in een van twee mogelijke toestanden kunnen verkeren. Een eenvoudig voorbeeld is het telraam, of abacus. In zijn eenvoudigste vorm bestaat dit uit een aantal spijlen, en op iedere spijl bevindt zich een kraal die in één van twee mogelijke posities kan worden geschoven. Voordat er een gegeven in het computergeheugen wordt opgeslagen verkeert het geheugen in een ongeordende toestand, waarin voor elke kraal beide mogelijke posities even waarschijnlijk zijn. (De kralen van de abacus zijn met andere woorden op alle spijlen willekeurig verdeeld.) Nadat het geheugen een wisselwerking is aangegaan met het te onthouden systeem, zal het uiteindelijk in één welbepaalde toestand verkeren, afhankelijk van de toestand van het systeem. (Elke kraal zal zich ofwel links ofwel rechts op de spijl van de abacus bevinden.) Het geheugen is dan overgegaan van een ongeordende toestand in een geordende. Om er zeker van te zijn dat het geheugen in de juiste toestand komt te verkeren moet er echter een bepaalde hoeveelheid energie verbruikt worden om de kraal te verschuiven, of de computer van stroom te voorzien, bijvoorbeeld.) Deze energie verdwijnt in de vorm van warmte en verhoogt de hoeveelheid wanorde van het heelal. We kunnen aantonen dat deze verhoging van wanorde altijd groter is dan de toename van de orde in het geheugen. De warmte die door de ventilator van de computer wordt afgegeven zorgt ervoor dat de totale hoeveelheid wanorde in het heelal groter wordt wanneer een computer een gegeven in het geheugen opslaat. De richting van de tijd waarin de computer het verleden herinnert, is gelijk aan die waarin de wanorde toeneemt. Ons subjectieve besef van de richting van de tijd, de psychologische tijdpijl, wordt daarom in onze hersenen bepaald door de thermodynamische tijdpijl. Evenals een computer moeten wij onze dingen herinneren in de volgorde waarin de entropie toeneemt. Dit maakt de tweede hoofdwet van de thermodynamica tot bijna een triviale wet. Anorde neemt toe met het verstrijken van de tijd, omdat we de tijd meten in de richting waarin de wanorde toeneemt. Daar is niets meer tegen in te brengen. Waarom moet er eigenlijk een thermodynamische pijl bestaan? Of, waarom moet het heelal aan één uiteinde van de tijd in een zeer geordende toestand verkeren, aan de kant die wij verleden noemen? Waarom verkeert het niet altijd in een totaal wanordelijke toestand? Dat laatste lijkt toch veel waarschijnlijker. En waarom is de richting van de tijd waarin de wanorde toeneemt gelijk aan die waarin het heelal uitdijt? Volgens de klassiek algemene relativiteitstheorie kunnen we niet voorspellen hoe het heelal is begonnen, omdat alle bekende natuurwetten tijdens de oerknal-singulariteit hun geldigheid verliezen. Het heelal kan heel goed in een zeer egale en geordende toestand zijn begonnen. Dit heeft geleid tot vastomgeschreven thermodynamische en kosmologische tijdpijlen, zoals we kunnen waarnemen. Maar het heelal zou evengoed begonnen kunnen zijn in een zeer klonterige en wanordelijke toestand. In dat geval was het heelal van begin af aan in een toestand van totale wanorde, zodat de wanorde niet met het verstrijken van de tijd zou kunnen toenemen. Deze zou ofwel constant blijven, en in dat geval bestond er geen vastomschreven thermodynamische pijl van de tijd, of afnemen, en in dat geval zou de thermodynamische tijdpijl in de omgekeerde richting wijzen van de kosmologische pijl. Geen van deze beide mogelijkheden komt overeen met onze waarnemingen. Maar we zagen reeds dat de klassiek relativiteitstheorie haar eigen ondergang voorspelt. Wanneer de kromming van de ruimte groot wordt, zullen kwantumgravitatie-effecten een belangrijke rol spelen en houdt de klassieke theorie op een goede beschrijving van het heelal te leveren. We moeten uitgaan van een kwantumtheorie van de zwaartekracht om te begrijpen hoe het heelal begin. We weten dat om in een kwantumtheorie van de zwaartekracht de toestand van het heelal zich zouden gedragen op de grens van de ruimte-tijd in het verleden. We zouden dit probleem, dat we iets moeten beschrijven wat we weten en niet kunnen weten, alleen kunnen omzeilen indien de voorgeschiedenissen voldoen aan de voorwaarde van de onbegrensdheid: ze zijn eindig in hun omvang, maar ze hebben geen grenzen, randen of singulariteiten. In dat geval zal het begin van de tijd regelmatig, egaal punt van de ruimte-tijd zijn en zal het heelal met uitdijen zijn begonnen vanuit een zeer egale en geordende toestand. Het kon niet volkomen gelijkvormig zijn, want dat zou het onzekerheidsprincipe van de kwantumtheorie schenden. Er moeten kleine fluctuaties in de dichtheid en snelheid van de deeltjes zijn geweest. De voorwaarde van de onbegrensdheid impliceerde echter dat deze fluctuaties zo klein waren als het onzekerheidsprincipe nog net toeliet. Het heelal zal dan begonnen zijn met een periode van exponentiele of inflatoire expansie, waarin de omvang ervan binnen korte tijd met een groot factor is toegenomen. Tijdens deze expansie zullen de fluctuaties in dichtheid aanvankelijk nog klein gebleven, maar later zullen ze groter zijn geworden. In de gebieden waarin de dichtheid even boven het gemiddelde lag, zal de uitdijing vertraging hebben ondervonden door de zwaartekracht van de extra massa. Uiteindelijk hielden zulke gebieden dus op uit te dijen en stortten ze in om sterrenstelsels te vormen, en sterren en wezens zoals wij. Het heelal zal begonnen zijn vanuit een egale en geordende toestand en vervolgens met het verstrijken van de tijd klonterig en wanordelijk zijn geworden. Dit vormt een verklaring voor het feit dat de thermodynamische pijl van de tijd bestaat. Maar wat zou er gebeuren wanneer heelal niet meer uitdijde en zou beginnen samen te trekken? Zou dan de thermodynamische pijl omkeren en de wanorde en de wandorde met het verstrijken van de tijd afnemen? Dit zorgt natuurlijk voor allerlei sciencefictionachtige mogelijkheden voor mensen de de overgang van de uitdijende fase naar de samentrekkende fase meemaken. Zullen zij de scherven van gebroken kopjes op de grond naar elkaar zien toegaan en weer als een kopje op tafel zien springen? Zullen zij zich de koersen van morgen herinneren en enorme kapitalen verdienen? Het is louter een academische vraag wat er zou gebeuren als het heelal weer instort, want dat zal de eerste tien miljard jaar niet gebeuren. Er is niettemin een snellere methode om erachter te komen wat er gebeurt wanneer het heelal samentrekt: spring maar eens in een zwart gat. Het instorten van een ster om een zwart gat te vormen lijkt sterk op de latere fase van het instorten van het heelal in zijn totaliteit. Als de wanorde dus zal afnemen tijdens de samentrekkingsfase van het heelal, mogen we ook verwachten dat ze in een zwart gat afneemt. Misschien dat een astronaut die in een zwart gat valt veel geld kan verdienden in het casino, door zich te herinneren waar het balletje terechtkwam voordat hij zijn fiches plaatste. (Helaas zal hij niet zolang meer kunnen spelen voor hij tot spaghetti wordt uitgerekt, en evenmin zal hij verslag kunnen uitbrengen over de omkering van de thermodynamische pijl, of zelfs maar zijn winst incasseren, omdat hij gevangen zit achter de waarnemingshorizon van het zwart gat. Bij de pijl van de tijd blijft nog één vraag open: waarom nemen wij waar dat de thermodynamische en de kosmologische pijlen in dezelfde richting wijzen? Of, waarom neemt de wanorde toe in dezelfde richting van de tijd waarin ook het heelal uitdijt en vervolgens weer zal samentrekken, zoals uit de voorwaarden van onbegrensdheid lijkt te volgen, moet deze vraag eigenlijk luiden: waarom bevinden we ons in een uitdijingfase en niet in de samentrekkingsfase? We kunnen deze vraag beantwoorden op grond van het zwakke antropische principe. In de samentrekkingsfase zouden de omstandigheden niet erg geschikt zijn voor het bestaan van intelligente wezens die de vraag kunnen stellen: waarom neemt de wanorde in dezelfde richting toe als de richting waarin het heelal uitdijt? De inflatie in de vroegste fase van het heelal, die het voorstel van onbegrensdheid voorspelt, betekent dat de uitdijing van het heelal zich voltrekt met een snelheid die vlak bij de kritische waarde ligt waarbij een hernieuwd instorten juist kan worden voorkomen, en dat het dus nog erg lang zal duren voor het heelal weer zal instorten. Tegen die tijd zullen alle sterren zijn opgebrand en de protonen en neutronen in die sterren zullen vermoedelijk tot lichtdeeltjes zijn vervallen. Het heelal zal op dat moment in een toestand van bijna totale wanorde verkeren. Er is geen uitgesproken thermodynamische tijdpijl meer. De wanorde neemt niet toe, omdat het heelal al in een toestand van vrijwel totale wanorde verkeert. Een duidelijk thermodynamische pijl is echter wel een noodzakelijke voorwaarde voor de bestaanskansen van intelligent leven. Om te overleven moeten mensen voedsel nuttigen, een geordende vorm van energie, dat ze omzetten in warmte, een ongeordende vorm van energie. Intelligent leven zal dus niet bestaan in de samentrekkingsfase van het heelal. Dit is een verklaring waarom volgens onze waarneming de thermodynamische en de kosmologische tijdpijlen in dezelfde richting wijzen. Niet omdat het uitdijen van het heelal een toename van wanorde veroorzaakt, maar veeleer omdat de voorwaarde van onbegrensdheid de wanorde doet toenemen en ervoor zorgt dat de omstandigheden alleen in de uitdijende fase geschikt zijn voor intelligent leven. Samenvattend kunnen we zeggen dat de natuurwetten geen verschil maken tussen de voorwaartse en terugwaartse richting van de tijd. Er zijn echter ten minste drie tijdpijlen die het verleden van de toekomst onderscheiden. Dat zijn de thermodynamische pijl, de richting van de tijd waarin de wanorde toeneemt, de psychologische pijl, de richting van de tijd waarin we ons het verleden herinneren, maar niet de toekomst, en de kosmologische ijl, de richting van de tijd waarin het heelal uitdijt in plaats van samen te trekken. Ik heb laten zien dat de psychologische pijl eigenlijk dezelfde is als de thermodynamische pijl, zodat deze twee altijd in dezelfde richting wijzen. Het uitgangspunt van onbegrensdheid voor het heelal voorspelt het bestaan van een vastomschreven thermodynamische tijdpijl, omdat et heelal in een egale en geordende toestand moet zijn begonnen. Dat wij waarnemen dat deze thermodynamische pijl overeenstemt met de kosmologische pijl komt vervolgens doordat intelligente wezens alleen in de uitdijingfase kunnen bestaan. De samentrekkingsfase is niet geschikt omdat ze geen duidelijke thermodynamische pijl heeft. Wanneer u zich ieder woord van dit website herinnert, heeft uw geheugen ongeveer 200000 stukjes opgenomen.: de orde in uw hersenen is dan met 200000 eenheden toegenomen. Maar tijdens surfen en lezen van het website heeft u tenminste duizend calorieën geordende energie, in de vorm van voedsel, omgezet in ongeordende energie, in de vorm van warmte, die u aan de lucht om u heen afstaat door warmte-uitwisseling en transpiratie. Dit vergroot de wanorde van het heelal met ongeveer 2 maal 10^25 eenheden. Dat is 10^19 keer de toename van de orde in uw hersenen (en dat alleen als u ALLES in dit boek herinnert). De warmte die door uw lichaam wordt uitgestraald heeft een veel grotere invloed op de toename van de wanorde in de rest van het heelal. Daarom stel ik voor dat u nu ophoudt met lezen.