Nogmaals de samenvatting:
Er bestaan functies f en g waarvoor geldt:
\(f: \mathbb{N} \rightarrow\mathbb{N} \text{ met } f(a) = a \rightarrow a = 1\)
\(g: \mathbb{N} \rightarrow\mathbb{N} \text{ met } x < g(x) \text{ en } f(g(x)) = f(x)\)
Hieruit beweer jij dat voor alle elementen, via de trechter-methode, alle herhaaldelijke toepassingen van f zullen leiden tot 1.Kun je aangeven wat er volgens jou nog schort aan deze samenvatting?
Puzzels