Ik snap niet wat je met die opmerking over V en V** bedoelt. Deze kunnen met elkaar geidentificeerd worden (en dat wordt vaak impliciet gedaan) maar hoe is dat vergelijkbaar met wat we hier doen?
Je bewijzen vragen (in ieder geval notationeel) meer werk als je dat soort (kanonieke) identificatie-afbeeldingen steeds niet wilt weglaten in je redenering. Qua notatie is differentiaalmeetkunde al geen makkelijk iets, maar het wordt alleen maar onoverzichtelijker als je die mate van precisie nastreeft. Dat gaat dan ook ten koste van je conceptuele begrip.
Neem het volgende voorbeeld: Het kruisproduct van twee verzamelingen A en B is gedefinieerd als A x B := {(a,b) | a in A, b in B}. Als ik het kruisproduct van drie verzamelingen neem, is (A x B) x C strikt genomen niet hetzelfde object als A x (B x C). De operatie is dus niet associatief. Echter, we beschouwen ze wel als zijnde hetzelfde object, omdat we ze op een simpele manier (door middel van een afbeelding) met elkaar kunnen identificeren. Voortaan schrijven we dus A x B x C voor het kruisproduct van 3 verzamelingen, waarbij ik dus formeel gezien de unieke equivalentieklasse van verzamelingen bedoel onder de relatie die wordt gedefinieerd door die identificatie. Zoiets dergelijks gebeurt ook bij tensor producten: het tensorproduct is formeel gezien niet associatief. Maar op iedere relevante manier zijn de twee 'mogelijkheden' wel hetzelfde, dus we bekijken gewoon altijd de klasse.
Het moge duidelijk zijn dat zulke overwegingen nooit echt specifiek worden genoemd in de literatuur: zoals je misschien zelf al merkt is het alleen maar verwarrend. Door jezelf de stof eigen te maken kun je dit soort 'abuse of notation' uiteindelijk wel waarderen.
Puzzels