Ik ben geen werktuigbouwkundige, maar ik zou denken dat als je de vasthechtingen, de dikte, de lengte, de breedte, en eigenlijk alles wat wel belangrijk is niet meeneemt. Dan heb je alleen een rechte lijn solide materiaal met twee krachten aan beide kanten.
Ofwel, optellen die hap. Maar ik zou wachten op iemand met mechanische kennis, sinds dit een veel te grote versimpeling is.
Uiteraard heeft de plaat afmetingen. Het is mij echter meer te doen om de manier hoe je de spanning berekent. Door het verschil in krachten zal de plaat volgens Newton versnellen. Wanneer er twee gelijke krachten waren van bijvoorbeeld 50N dan bleef de plaat stilstaan en was de spanning in de plaat die 50 N gedeeld door zijn sectie. Bij twee ongelijke krachten weet ik niet hoe ik dit moet aanpakken.
Als het vlak symmetrisch is dat krijg je een gelijk verdeelde spanningsverdeling. Bij twee ongelijke kracht verplaats je alleen dat overgangspunt, schuift het meer richting de 35N kant. Maar ik heb de formules niet bij de hand, moet ik toegeven.
Er zal hier volgens mij niet eens sprake zijn van één spanning in de plaat.
M.i. :
De plaat zal worden versneld naar de kant van de kracht van 50 N, met een nettokracht van 15 N. Doorheen heel de plaat heerst een spankracht van 35 N. Maar als de plaat bijvoorbeeld een massa van 3 kg heeft, dan zal a =F/m = 15/3 = 5 m/s² bedragen. De 50 N zijde van de plaat zal de rest van de plaat moeten voortslepen, op dit punt ontstaat een extra spanning van F= m·a = 3 x 5 = 15 N.
Op 1/15 van de lengte van de plaat (laten we die even als een dunne draad veronderstellen) moet nog 2,8 kg worden voortgesleept, en ontstaat dus een extra spanning van F= m·a = 2,8 x 5 = 14 N , enzovoort.
Hoe die spanning over de breedte en dikte van een plaat moet worden verdeeld, geen idee.
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN...
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip... http://sciencetalk.nl/forumshowtopic=59270
de spanning sigma (@ voor de gemakkelijkheid om te typen) @=F/A met F de kracht, en A de dwarsoppervlakte zijnde uw dikte maal uw breedte als de krachten volgens de lengterichting van de plaat liggen.