Bij tomaten is een rode vruchtkleur dominant over een gele kleur. Het allel voor een grote plant is bovendien dominant over dat voor een kleine plant. Een landbouwer wil zijn oogst optimaliseren. Graag zou hij in de toekomst planten willen die allemaal tegelijk groot zijn en rode tomaten produceren. Hij neemt jou aan om een testexperiment op zijn akker uit te voeren. Je krijgt van hem een zaadje dat ontstaan is uit de kruising van een kleine plant die raszuiver is voor rode tomaten met een grote plant met gele tomaten. Van deze laatste is hij zeker dat de plant voort kam uit een raszuivere grote en een raszuivere kleine plant. Ook kan hij je op dit moment van het seizoen al vertellen dat de andere zaadjes van de kruising reeds uitgegroeid zijn tot grote planten. Je beslist om als eerste experiment een testkruising op te zetten.
Als je weet dat de genen voor vruchtkleur en grootte op eenzelfde autosoom liggen op een afstand van 18 cm, wat is dan, na je testkruising, het percentage grote planten met rode vruchten?
A. 0.18%
B. 0.36%
C. 18%
D. 36%
Het antwoord is D maar ik weet niet waarom. De 2 planten hebben: ggRR x Ggrr
waarbij g=klein G= groot r=geel R=rood
ik had oorspronkelijk de F& uitgetekend waaruit blijkt dat de kans 1/2 is om aan de vraag te voldoen maar hoe breng ik de cM in de kans? want ik had 0.5*0.82 (100%-18%=82% van koppeling) maar dat komt dus niet uit
mvg