Hallo!
Ik heb twee vraagjes met betrekking tot gaschromatografie.
We gebruiken op school een gaschromatograaf gevuld met een poreuze, korrelvormige drager. De stationaire fase bestaat uit het beetje vloeistof dat door de dragerkorrels in de kolom wordt vastgehouden. Onze gaschromatograaf heeft twee kolommen.
Kolom I bevat als stationaire fase een polaire vloeistof en kolom II bevat een apolaire vloeistof.
De mobiele fase bestaat uit inert heliumgas, onoplosbaar in de stationaire fase.
We gaan een mengsel van n-octaan en i-octaan scheiden.
Met welk type stationaire fase, polair of juist apolair zal dan de beste scheiding van n-octaan en i-octaan plaatsvinden?
Zelf denk ik dit:
N-octaan en i-octaan bevatten beiden geen dipoolmoment en zijn dus beide apolaire stoffen.Apolaire stoffen lossen niet goed op in polaire stoffen en wel goed in andere apolaire stoffen. Dus de scheiding geeft het beste resultaat als de stationaire fase ook apolair is. De retentietijd is dan erg lang. Het verschil tussen de retentietijd van n-octaan en i-octaan is dan ook groter.
Mijn tweede vraag is:
Kan iemand me uitleggen wat er wordt bedoeld met (bruto) retentietijd?
Ik snap het niet echt..
Alvast bedankt!
Puzzels