Ik heb de maandag een examen van Wiskunde en ik heb een vraagje.
Als voorbeeld van een tegengestelde van een product staat hier dit:
-(-3.(-b)) = 3(-b) = -3b
Dus ik moet eigenlijk het tegengestelde van een van de 2 factoren nemen en de andere gewoon zo laten. En wat als ik nu een drieterm, of vierterm heb?
Puzzels