De viscositeit van de saus zou je kunnen definiëren als de weerstand tegen een beweging. Om een viscositeit te kunnen verkrijgen heb je eigenlijk met twee hoofdparameters te maken: de afschuifkracht (wordt ook wel "shearing stress" genoemd) (F) en de afschuifsnelheid (G).
Stel je maakt een grafiek van deze twee parameters met de G op de y-as en F op de x-as dan zal bij een newtons gedragende stof er een rechte lijn gevormd worden. De helling van deze lijn is gelijk aan de viscositeit. (dus η=F/G). Lijn is n.b. recht, wat duidt op een constante hellen en dus een constante viscositeit.
Stel je maakt eenzelfde grafiek voor een
pseudoplastisch gedrag (foutje in mijn vorige post, zoals sausen als ketchup). Dan zal de grafiek relatief exponentieel lopen. Dit betekent dus dat de viscositeit helemaal niet constant is en dat deze zal gaan veranderen bij een verandering van de G. (of F)
Kortom, als je dus een twee keer zo hoge afschuifsnelheid neemt, kan het zo zijn dat de viscositeit veranderd. Dit is allemaal afhankelijk van het rheologische gedrag dat wordt vertoond. Het hoeft dus zeker niet zo te zijn dan bij een twee keer zo hoge afschuifsnelheid de afschuifkracht ook twee keer zo groot wordt.
Met betrekking tot de kleurbepaling. Ik weet niet precies hoe jullie dit gaan doen. Een saus bestaat natuurlijk uit vele opgeloste stoffen en ik persoonlijk zou niet weten hoe je dit in een spectrometer effectief kan meten. Doen jullie het eerst oplossen? Is de kleur van de saus wel homogeen verdeeld? Allemaal vragen die bij mij opkwamen

. Maar als je een methode uit de literatuur hebt die duidelijk effectief blijk, dan zou ik die zeker proberen.