De casus:
De I2 oplossing kan worden gemaakt door aan een oplossing van een bekende hoeveelheid kaliumjodaat (KIO3) en kaliumjodide (KI) een overmaat zoutzuur toe te voegen, waarbij een met het jodaat equivalente hoeveelheid (I2) wordt gevormd.
De vraag is hoeveel we van elke stof moeten nemen om een 0,01M joodoplossing te krijgen.
We hebben de reactievergelijking opgesteld en gecheckt in literatuur. De reactievergelijking is:
IO3- + 6H+ + 5I- --> 3H2O + 3I2
Probleem:
We willen 250ml joodoplossing maken.
Mijn intuïtie zegt dat ik dan eerst ga berekenen hoeveel mol I2 dat is. Dat is:
0,01M x 0,250L = 2,5x10-3 mol I2
Nu moet ik berekenen hoeveel ik van iedere stof nodig heb. (inclusief zoutzuur)
Ik neem aan dat de hoeveelheid IO3- bepaald hoeveel mol jood er wordt gevormd omdat je daarvan het minste aantal mol hebt?
Als ik ga berekenen hoeveel ik van elke stof nodig hebt kom ik uit op:
m stof (g) = n I2 (mol) x molverhouding x molaire massa (g/mol)
m KIO3 = 2,50x10-3 mol x 1/3 x 214,001 g/mol= 0,178 g
m HCl = 2,50x10-3 mol x 2 x 36,46 g/mol= 0,182 g
m KI = 2,50x10-3 mol x 5/3 x 166 g/mol= 0,692 g
HCl zou ik via de dichtheid ook om kunnen rekenen naar volume, dat wordt dan:
0,182 g/ 1,49 g/L= 0,122L = 122 ml
Moet ik dan gewoon die 2 stoffen inwegen, zoutzuur erbij doen, laten reageren en aanvullen tot 250ml? Dan heb ik 250ml 0,01M joodoplosing?
Maar welke concentratie moet het zoutzuur dan zijn?
n HCl = 2,50x10-3 mol x 2= 5,00x10-3 mol
c HCl= 5,00x10-3 mol/ 50ml = 0,1M zoutzuur. Dus ik moet 50ml 0,1M zoutzuur bijdoen?
Ik hoor het graag.
Puzzels