ik heb een herexamen van mechanica en momenteel ben ik bezig met het hoofdstuk over starre lichamen en rotatie. Hierbij moet je o.a. het traagheidsmoment van lichamen berekenen:
\(I=MK²\)
\(K²=\frac{1}{V} \int r² dV\)
Om de gyratiestraal te berekenen (K²), kies je eerst een gepast coördinatenstelsel: klassiek cartesisch assenstelsel (dV=dxdydz), cilindercoördinaten (dV=rdrdθdz) of sferische coördinaten (dV=dr rsinθdφ rdθ), naargelang het lichaam (orthogonale vormen, omwentelingslichamen of bolvormen). Daarna zet je de r uit de formule van de gyratiestraal in functie van de coördinaten en stel je de integraal op.Nu is mijn vraag, hoe bepaal je de grenzen van deze meervoudige integraal? Ik weet dat deze de grenzen van het lichaam zijn, maar hoe weet je of je van -L/2 tot L/2 of van 0 tot L of ... moet nemen? Of maakt dat niet uit? Maar de uitkomst is dan toch anders? Of heb je dan gewoon een andere oorsprong?
Enkele voorbeelden:
-een blok (massa M, lengte L, breedte B, hoogte H) (roteert om hoofdas volgens de hoogte)
-een cilinder (massa M, straal R, lengte L) (roteert om cilinderas)
-een cilinder (massa M, straal R, lengte L) (roteert om een hoofdas loodrecht op cilinderas)
-een kegel (massa M, straal R, hoogte H) (roteert om zijn as)
-een bol (massa M, straal R) (roteert om een hoofdas)
Welke grenzen neem je best bij deze lichamen? Is hier een bepaalde regel voor? Hoe weet je wat het best te berekenen is?
Alvast bedankt
Mvg
Evi
Puzzels