Ik las een tekst van de duitse filosoof Pieper over het academische van een unversiteit. Hij schrijft dat sommige vaardigheden die onderwezen worden van nut zijn voor anderen. De zogenaamde 'artes serviles' (architect, arts) . In tegenstelling tot de 'artes liberalis' (filosofie, theoretische natuurkunde) die vrij zijn van dienstbaarheid. Hij vindt dat de artes liberalis voor echt academisch staan, omdat 'Akademisch heisst philosophisch'. Filosofie moet vrij zijn anders was het geen filosofie. Verder stelt hij dat de beroepsvoorbereiding op de universiteit academisch dient te zijn en dus elementen moet bevatten die vrij zijn van toepasbaarheid.
Ik begeef me op gevaarlijk gebied: een filosoof tegenspreken... Ik vind dat deze dichotomie nogal artificieel is: de overgang van fundamentele wetenschap naar praktische toepassingen is volgens mij continu. Volgens mij brengt het bekijken van praktische toepassingen de fundamentele kennis niet in het gedrang, en het is evident dat praktische toepassingen niet kunnen zonder kennis. Zelfs de filosofie heeft zich vaak op de praktijk van het dagelijks leven gericht. De psychologie in het bijzonder, maar eigenlijk alle wetenschappen doorheen hun geschiedenis, vallen te interpreteren als het zoeken van de mens naar zichzelf: wetenschap is de vermenselijking van de wereld, zoals we bij Hegel kunnen lezen. De mens heeft nood aan kennis over zichzelf. De behoeftenpiramide van Maslow (aangehaald door Snow white), blijkt niet strikt hiërarchisch te zijn: hogere noden kunnen zich nog steeds manifesteren, ook als aan de lagere niet voldaan is (
"Is dit een mens" van Primo Levi is in dezen een openbaring).
Pieper stelt dat het weten op zich zinvol is zonder dat het toepasbaar hoeft te zijn.
Daar ben ik het wel mee eens.
Hij vindt het geen goede ontwikkeling dat met name in de natuur, medische en technische wetenschappen het onderzoek steeds vaker gericht is op nut. Verder stelt hij dat de universiteit zich niet bezig moet houden met de vragen die de maatschappij vandaag stelt, maar zich juist bezig moet houden met de vragen die de maatschappij van vandaag niet stelt, omdat we anders in de problemen komen met ontwikkelingen van oplossingen in de toekomst.
Ik vraag me af hoe je dat precies moet zien: medische wetenschap zonder praktische toepasbaarheid? Ik ben het er wel mee eens dat kortetermijndenken niet gepast is in een academische setting. Maar dat betekent niet dat de hele maatschappij niet wel zou varen bij het overschouwen van problemen op langere termijn.
Bovendien, kan je dit - of je dat nu graag wil of niet - niet los van de economische realiteit bekijken. De middelen zijn beperkt, dat is nu eenmaal zo.
Daarenboven betekent het feit dat men niet gedwongen is voor praktische toepassingen te zorgen, helemaal niet dat de wetenschap plotseling "vrij" is. Je kan echt niet buiten het maatschappelijk discours om, daar hebben zowel Foucault als Lacan het uitgebreid over.
Dit stukje theorie wil ik graag gebruiken als onderpand voor een stelling binnen de psychologie. Wij krijgen op de universiteit het beroepsmodel van de 'Scientist practitioner' voorgeschoteld, maar dat model stelt juist dat er in de beroepspraktijk van de klinisch neuropsycholoog onderzoek gedaan moet worden naar zaken die toepasbaar zijn in de dagelijkse praktijk. De stelling is dan als volgt: 'Het hanteren van dit beroepsmodel gaat ten koste van het academische binnen de klinische neuropsychologie'
Ik vraag me af hoe je dat zelf ziet: is het mogelijk om aan klinische psychologisch onderzoek te doen dat géén praktische toepassingen kent? Ik denk dat de opsplitsing tussen praktisch nut en directe toepassing duidelijker is: in een opleiding tot psycholoog komt o.a. de fundamentele wetenschap achter psychologische diagnostiek aan bod, in de toegepaste psychologie komt vooral het gebruik van tests om tot diagnostiek over te gaan aan bod.
edit: vermoedelijk wordt dit meer een filosofie'tje dan een psychologie'tje.
Ja, maar de aanzet is er één tot reflectie over het vakgebied van de psycholoog. Voorlopig laat ik het hier dus staan.
Mechanieker schreef:Studenten eisen van de universiteit kennis in hapklare brokken die ze min of meer onverkort kunnen inzetten in het bedrijfsleven. Als de universiteit daar niet op inspeelt daalt de aanwas van eerste-jaars en dus het budget.
(...)
In mijn werk als ingenieur zie ik hoe MTS-ers die nog geen staartdeling kunnen uitvoeren verder prima de meest complexe ontwerpen kunnen maken voor de modernste technische installaties en infrastructuur. Hoe kan dat? Dat kan omdat die MTS-ers perfect zijn opgeleid om gebruik te maken van standaard ontwerpsoftware, vuistregels en tabellenboekjes. Het is helemaal niet nodig om de complexe wiskundige en natuurkundige principes die achter die software en die tabellenboekjes schuilgaat te begrijpen. Waar vroeger drie ingenieurs op zaten te studeren zit nu een MTS-er met een PC achterover te leunen. Op technisch gebied is de rol van de academische wetenschap kennelijk uitgespeeld. Studeren en begrijpen is overbodig geworden.
Het is me niet helemaal duidelijk of je hier nu met opzet erg overdrijft of niet. Indien niet, vraag ik me af of het verschil tussen Nederland en België dan werkelijk zo groot is. Ik merk hier namelijk dat veel studenten psychologie afhaken aan de universiteit, omdat de eerste jaren vooral de brede academische, en fundamenteel-wetenschappelijke kant aan bod komt in de opleiding.
Wat betreft het niet kunnen maken van staartdelingen: dat kun je toch echt niet op de academische opleiding afschuiven. Als ze je aan de unief nog moeten diets maken hoe je de meest eenvoudige wiskundige berekeningen uitvoert, scheelt er iets aan het middelbaar onderwijs.
Ook de stelling dat computers alle werk doen vind ik overtrokken. Als een onderzoeker vroeger een factor-analyse wilde uitvoeren op een beetje steekproef, had hij een hele rol behangpapier nodig om zijn berekeningen te maken. Als hij die factoren dan nog eens wou roteren, kon hij een nieuwe rol gaan halen. Godzijdank kan dat tegenwoordig met de computer. De meeste statistische programma's vereisen echter wél een voorkennis van de statistische techniek die wordt uitgevoerd. Het is geen toeval dat je als Master in de psychologie, op twee jaartjes extra ook een mastergraad in de statistische data-analyse kunt halen.
Aan de lopende band. Het scientist-practitioner pretendeert de vrijheid te vergroten, en dat is ook waarom het aanvankelijk ideaal lijkt. De scientist-practitioner combineert, hij staat boven theorie en praktijk, hij blijft wetenschapper pur sang maar nu zoals het echt moet... Dat soort uitspraken ontstaat al gauw.
Het principe wordt overroepen, en het is natuurlijk niet zaligmakend. Maar dat betekent niet dat het tegendeel daarom waar is.
Maar wat was de basis, wat waren de grondbeginselen van de academie? Dit lag besloten in filosofie: wetenschap was vrij zijn, vrij van alle basale activiteiten (een quick&dirty vergelijking zou zijn: vrij van de eerste lagen van Maslows piramide). De wetenschapper/filosoof was letterlijk de vrijgestelde die mocht denken en na mocht denken, en mocht onderzoeken. Hij mocht de wereld ontdekken. De academie was een manier om deze wetenschappers te verzamelen, zodat zij konden communiceren over kennis. Hierdoor werd de academie toch een soort scene, waarbinnen bepaalde standaarden gelden. Vandaar: ''academisch''. Maar hoe de ontwikkelingen zich ook wendden, de academie was bedoeld om vrij te zijn van alle dwang en je te richten op dat wat werkelijk benijdenswaardig was: kernkennis en discussie over die kennis.
Dat is niet incorrect, maar wel een romantische voorstelling. Een beetje platter uitgedrukt zou je kunnen stellen: academische wetenschappelijke activiteit, dat was weggelegd voor mensen met tijd en geld te veel. De democratisering van het onderwijssysteem werkt de verschuiving van wetenschappelijke activiteit blijkbaar in de hand.
Ik moet Mechanieker gelijk geven in de vraag wat daar nog van over is. Fundamentele kennis lijkt er steeds minder toe te doen. Het gaat om toepassing, praktische relevantie en eigenlijk: rendement, winstgevendheid. De academicus (klinisch neuropsycholoog) is niet langer vrij. Hij mag wel onderzoek doen naar pathologie bij patienten, maar het kan niet langer stoelen op het opdoen van kennis opzich. Nu zit de klinisch neuropsycholoog redelijk gebakken, aangezien neuropsychologisch onderzoek al snel richting klinisch/revalidatiepsy neigt. Dit maakt hem echter juist minder vrij (en dus minder academisch), want nu heeft zelfs de kernkennis een nut gekregen.
Ik denk dat het wel degelijk mogelijk is om onderzoek te doen naar pathologie, om die pathologie fundamenteel te begrijpen. Maar dat levert toch automatisch een bodem voor praktische toepassingen op? Bovendien denk ik wél dat die onderzoeker er wel bij vaart als hij individuele consultaties e.d. doet. Het is immers al te verleidelijk om de pathologieën te gaan bekijken als archetypes (die dan komen te bestaan uit de som van gemiddelden), met het gevaar dat de psycholoog in het veld de individuele patiënt dan ook zal interpreteren naar die archetypes.
(steeds meer studenten die vertellen dat ze naar school gaan om les te krijgen van een leraar)
Dat doet inderdaad wel een beetje vreemd. Professoren aanspreken met "professor" levert algauw scheve blikken op...