in Binas is ook te vinden hoe de weerstand van Nichroom en constantaan afhangt van de temperatuur. Geef op grond van de desbetreffende getallen een schatting van de toename van de weerstand bij de grootste stromen die je gebruikt hebt. Neem aan dat de draden niet warmer zijn geworden dan 100Graden C
A-B: Chroomnikkeldraad van 0,2 mm
A-D: Chroomnikkeldraad van 0,2 mm
C-D: Chroomnikkeldraad van 0,2 mm
C-F: 2 draden van elk 0,2 mm
E-F: Chroomnikkeldraad van 0,4 mm
X-B: Constantaandraad van 0,4 mm
Draden: Aantal Volt: U (V)Aantal Ampère I (mA)Weerstand in Ohm: R( )
1. Draad E-F 1 V 210 mA 5
2. Draad E-F 2 V 420 mA 5
1. Draad C-F 1 V 110 mA 9
2. Draad C-F 2 V 220 mA 9
1. Draad C-D 1 V 50 mA 20
2. Draad C-D 2 V 100 mA 20
1. Draad A-D 1 V 50 mA 20
2. Draad A-D 2 V 100 mA 20
1. Draad A-B 1 V 50 mA 20
2. Draad A-B 2 V 100 mA 20
1. Draad X-B 0,5 V 240 mA 2
2. Draad X-B 1 V 480 mA 2
Constantaandraad heeft een weerstandstemperatuurcoëfficient van: 0,05*10-3 K-1
Nichroom 0,1*10-3 K-1
Ik snap nu dus even niet hoe ik deze vraag moet aanpakken. Immers ik weet niet hoeveel graden de weerstanden zijn toegenomen bij de proef. En daarnaast is bij een toename aan volt het aantal ampère evenredig toegenomen, de weerstand is dan niet veranderd.
NN
Puzzels