Bij godsdienstcritici hoor je nog al eens dat veel gelovigen inconsitent zijn in wat ze geloven. Een aantal (vermeende) consitentieproblemen geef ik hierbij even als voorbeeld.
1. De drie-eenheid. Orthodoxe christenen belijden een God die zowel één als dreevoudig is.
2. Gereformeerde uitverkiezings- en zondeleer menselijke verantwoordelijkheid (de mens kan niet kiezen om de wet te houden en om te geloven, maar wordt wel verantwoordelijk gehouden)
3. Almachtige, goede God en het kwaad.
Een gelovige zal in veel gevallen ook toegeven dat er sprake is van een probleem, maar zal daarbij aantekenen dat het te onbegrijpelijk is voor het menselijk verstand. Het gaat mij niet zozeer om bovenstaande voorbeelden als zodanig, maar ik wil graag een discussie op godsdienstfilosofisch niveau over het fenomeen consistentie en het beroep op de beperktheid van het verstand.
Terzijde wil ik even opmerken dat veel mensen die kritiek hebben op een godsbeeld meestal één pool in een spanningsveld nemen en die uitvergroten, waardoor de gelovige het idee krijgt dat de criticus een karikatuur maakt van het geloof - en dat de criticus dus niet de religie bestrijdt maar een verkeeld beeld van de religie.
Wat is eigenlijk (in)consistentie?
Ik ben helaas niet heel erg geschoold in de logica. Misschien dat er mensen zijn die me daar een beetje op weg kunnen helpen. Kun je niet elke tegenstelling harmoniseren met een beroep op het idee dat het menselijk verstand de zaak niet kan begrijpen?
De hoofdvraag is:
Kun je - met intellectuele integriteit - in inconsistente zaken geloven met een beroep op de beperktheid van het verstand?
O ja, voor de mensen die geen Latijn verstaan:
'Nihil credendum nisi prius intellectum' - betekent: 'Geen zaak moet geloofd worden als het niet eerst begrepen wordt' en wordt toegeschreven aan Abaelardus. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Petrus_Abaelardus)
Puzzels