Na een tijdje filosoferen over de aard van tijd denk ik het eindelijk te hebben begrepen. De formules zijn helaas te complex voor mij op dit moment dus ik hoop dat jullie mij kunnen vertellen of mijn beeld klopt.
Uitgaande van het volgende ben ik gaan redeneren:
- Tijd is gelijkwaardig aan ruimte, 1 seconde is in feit een beweging van 3e5 km door de tijd
- Ruimte en dus beweging en versnelling is relatief
- De som van delta tijd en delta ruimte is altijd gelijk (of er is in ieder geval een omgekeerd verband tussen beide)
Maar als je je bedenkt dat tijd ook relatief is, wat houd het dan nog in?
Wat wij ervaren is dus een beweging van 3e5 km door de tijd, relatief van 'iets', en die beweging is nodig om een mens 1 seconde bewustzijn te laten ervaren of een klok één seconde te laten verspringen.
Als je het zo bekijkt zou dus een beweging door de tijd nodig zijn voor een intern proces van een object, dat het verlopen van één seconde veroorzaakt. Dit zou een beweging van energie of een transformatie of iets dergelijks kunnen zijn, maar is voor deze redenering niet van belang.
Wat dan rest is ten opzichte van wat die beweging door de tijd is.
Wij ervaren beweging als absoluut omdat we ons in het inertiaalstelsel van de immense aarde bevinden, waardoor de traagheid die andere massa's op ons projecteren nauwelijks effect heeft. Zodoende ondervinden wij geen middelpuntvliedende kracht wanneer we ons om een ander mens heen bewegen maar stilstaan ten opzicht van de aarde.
Het klinkt dus logisch dat wat wij als tijd ervaren ook een beweging is t.o.v. Het inertiaalstelsel van de aarde. En omdat we altijd praktisch stilstaan t.o.v. Is de beweging door ruimte 0 en door tijd dus maximaal. Alle objecten op aarde hebben hetzelfde, waardoor ze even snel door de tijd bewegen t.o.v. De aarde, dus lijkt hun tijd even snel te verlopen.
Wanneer we dit op het tweelingenparadox projecteren, gebeurt het dus het volgende:
Tweeling A beweegt snel t.o.v. Van ijkpunt de aarde → beweging door ruimte omhoog, beweging door de tijd omlaag. Tweeling B blijft stilstaan → beweging door ruimte gelijk, beweging door tijd gelijk. Gevolg: Tweeling B heeft een grotere beweging door de tijd gemaakt t.o.v. De aarde dan Tweeling A, en is dus 'ouder' wanneer Tweeling A terugkeert.
Wat ik hier dus zeg is dat de uitspraak: de tijd gaat langzamer bij het object als het zich van de waarnemer af beweegt, betrekking heeft op de tijd t.o.v. Een gezamenlijk referentiekader, waar de waarnemer zich in rust bevind en het object niet. Klopt dit?
Er treed dus niet echt tijdsdilatatie op wanneer fysisch gelijke objecten zich in een vacuüm t.o.v. Elkaar bewegen. Dit lijkt me ook logisch want anders zou het niet te verenigen zijn met het idee dat tijd relatief is lijkt mij.
Een ander gevolg is dat tijd dus niet iets lineairs is, maar een beweging t.o.v. Een ijkpunt met als gevolg een verandering van het object.
Puzzels