HansH schreef: ↑do 27 nov 2025, 10:53
Het equivalentie principe is blijbaar wel geldig in een lokaal vlakke ruimtebenadering, maar gaat zoals ik het begrijp mis bij het aansluiten van stukjes gekromde ruimtetijd op elkaar. dus zou voor mijn een hele interessante zijn om te begrijpen hoe je dan vanuit de ART kunt zien hoe die stukjes dan wel aan elkaar gekoppelt moeten worden. dat was voor mij ook de reden om er een gyroscoop bij te halen in de hoop daarmee die 2 effecten min of meer los van elkaar qua inzicht te kunnen begrijpen. je zou de gyroscoop ook kunnen vervangen door een niet roterend stukje massa misschien wat qua richting gericht eenmalig is uitgericht op een verre ster qua orientatie. en dan ook nog eens oneindig klein om geen last te hebben van discussies over getijdekrachten die de hoek weer kunnen scheef trekken.
HansH, het equivalentieprincipe gaat hier niet “mis”. Het zegt alleen dat je lokaal altijd een vlakke situatie kunt benaderen; het is alleen geldig in een gebied waar de ruimtetijd lokaal als een inertiaalstelsel kan worden beschouwd, dus klein genoeg zodat de kromming verwaarloosbaar is.
Maar lichtafbuiging is een niet-lokaal effect: je vergelijkt twee punten die ver van elkaar liggen in een veld dat overal net een beetje anders is. Dan krijg je automatisch een afwijking in het totale pad, zonder dat er ergens een sleutelstuk “fout aansluit”.
Je hebt daar geen gyroscoop of verre sterren oid voor nodig. Een gyroscoop beschrijft hoe de oriëntatie van een massa verandert langs een traject. Lichtafbuiging gaat over het pad van een lichtstraal, dat is een nultraject en heeft dus niets met gyroscoopprecessie te maken. Dat zijn twee totaal verschillende fenomenen.
In dit onderwerp kom je het verst met iets veel eenvoudigers: kijk gewoon naar hoe de Schwarzschild-metriek het lichtpad vervormt. Dat levert precies die factor 2 op, zonder gedachtesprongen of ingewikkelde constructies. Of met behulp van Einstein zijn eerste berekeningen, dat is m.i. het makkelijkste.
Lichtafbuiging wordt gewoon bepaald door de nulgeodeten van de Schwarzschild-metriek. Paralleltransport speelt alleen indirect een rol omdat een geodeet formeel gedefinieerd is als een curve waarvan de raakvector zichzelf parallel transporteert, niet als fysische verklaring voor de afbuiging. Dat is gewoon gekromde ruimtetijd en lichtafbuiging en paralleltransport zijn beide manifestaties van dezelfde ruimtetijdkromming: het eerste buigt paden, het tweede buigt richtingen.
Quantum foam, wat hier helemaal niets mee te maken heeft!
Maar nog even, kijk bijvoorbeeld deze uitgebreide reactie van wnvl1 met Christoffelsymbolen, spinverbindingen en tetrads etc.
viewtopic.php?p=1270277#p1270277
Dat gaat alle kanten op en sluit totaal niet aan bij het niveau van HansH. Het is technisch correct, dat wel, maar totaal onbruikbaar voor iemand die eerst de basisconcepten nog moet begrijpen, meer dan dat.
Misschien is het voor jou handiger om zoiets eerst zelf met ChatGPT te bespreken. Dan kun je direct om alle onduidelijkheden vragen. (Waarschijnlijk al gauw een hallicunerende AI chat, maar goed.)
Beter is natuurlijk om een goed inleidend GR-boek heel langzaam door te nemen, met begeleidende uitleg bij de formules. Dan kun je beter de kernbegrippen zoals weak-field metric, Schwarzschild-metric, nulgeodeten en die uiteindelijk onbelangrijke "factor 2" (het is natuurlijk de klassieke toetssteen van Einsteins voorspelling voor lichtafbuiging, maar voor begrip bijzaak) in lichtafbuiging vatten, voordat je in deze complexe technische details duikt .. en verzuipt. Telkens weer.
Dat lijkt mij iig doodvermoeiend.
Een glorie. Totaal andere lichtdeflectie. Dus heeft hier ook helemaal niets mee te maken.
Toch nog even. Mogelijk enigszins ontwarrend:
Waar dat van wnvl1 in gewone woorden op neerkomt, is, volgens mij dan, het volgende. De metriek van de ruimtetijd vertelt je hoe je lengtes en tijden meet in een kromme ruimte; de Christoffel-symbolen geven aan hoe een vector of richting verandert als je “rechtuit” probeert te bewegen. Je kunt ze zien als de scheve tegels of hellingen in een jungle: je voeten worden automatisch een beetje kantelend geleid door het landschap van de ruimtetijd.
Christoffel-symbolen zijn geen echte krachten, maar ze verschijnen in vergelijkingen die lijken op versnelling, omdat ze de verandering van coördinaten compenseren zodat je lokaal “rechtuit” gaat. Ze beschrijven dus coördinaten versnellingen en geodetische versnellingen. Of, zoals wnvl1 meer bedoelt, hoe de basisvectoren van de metriek veranderen om lokaal ‘rechtuit’ bewegen consistent te houden, wat abstracter is: geometrisch versus fysisch. Voor een waarnemer die rondloopt in een gekromde ruimte geeft dit aan hoe een vector moet draaien of buigen om overal consistent te blijven.
Als je een lokaal orthonormaal frame (een tetrad) gebruikt, wordt dit idee uitgebreid: de spinverbinding beschrijft hoe dat frame roteert of “boost” langs een richting in de ruimtetijd. Daarmee kun je bijvoorbeeld de precessie van een gyroscoop of de evolutie van de spin van een vrij vallend deeltje volgen.
Dus Christoffel symbolen en spinverbindingen zijn de wiskundige hulpmiddelen die ervoor zorgen dat de lokale vlakke stukjes ruimtetijd correct op elkaar aansluiten. Puur wiskundige constructies binnen de differentiaalmeetkunde van gekromde ruimtetijd.
Voor iemand die eerst wil begrijpen hoe licht afbuigt rond een ster, zijn deze details vaak te technisch; het volstaat om te beseffen dat het licht zijn rechte lijn volgt in een kromme ruimtetijd.