door Monnik » wo 28 dec 2005, 01:16
Als ik het goed begrijp Rudeonline dan stel je ongeveer het volgende voor:
Je neemt een waarnemer. Je stelt dat de ruimte om hem heen zich met lichtsnelheid uitbreidt. In feite is dit de ruimte die hij ziet, waarover hij informatie kan hebben, niet de ruimte zelf. Maar goed laten we hier even in mee gaan. Je zegt dan dat iets wat meebeweegt met die uitdijende ruimte dus eigenlijk niet beweegt maar absoluut stil staat. De waarnemer waar we het in het begin over hadden blijft dus achter met lichtsnelheid. In welke richting hij precies achterblijft hangt er van af ten opzichte van welk punt op die uitdijende bol je het over hebt.
Laten we nu zeggen dat je een andere waarnemer hebt die in de richting van een bepaald punt op die bol beweegt met een bepaalde snelheid van de eerste waarnemer af. Nu stel jij je eigenlijk voor dat je een touw kunt vastmaken aan dat punt op die bol en dat beide waarnemers dat gedaan hebben en dan kijken hoe snel ze het touw zien vieren. De waarnemer die in de richting van het eerdergenoemde punt op de ruimtebol beweegt (maar er wel steeds verder vandaan raakt, omdat dat punt zich sneller beweegt) viert dus minder touw uit dan de waarnemer die stil zit in het centrum van de bol. Nu neem je verder aan dat beide waarnemers in een absolute tijd zitten (je hebt het simpelweg over een klok die harder of zachter loopt dan die van de ander).
Wanneer beiden dan zeggen dat het touw met de lichtsnelheid uitgevierd wordt zoals blijkbaar het geval moet zijn (dat accepteer je tenminste wel), zeg jij dus dat hun klokken evenredig harder of zachter lopen, zodat ze die constante snelheid zien. Ook zitten ze beiden in een absolute ruimte omdat ze de touwen simpel naast elkaar kunnen houden. Zelfs in dit simpele geval is al duidelijk te zien dat je ongelijk hebt, omdat je denkbeeldige tijddilatatie simpelweg evenredig zou moeten zijn met de snelheid van de waarnemer die in de richting van het punt op de bol vliegt. Zoals uit de Lorentz transformatie blijkt is, is deze factor evenredig met (1/(1-v*v))^0.5 en dat is dus een hele andere dilatatie. En dan hebben we het nog niet eens over de problemen die opdoemen met meerdere waarnemers in verschillende richtingen.
Het probleem dat je hebt, Rudeonline, is dat je verdwaald bent tussen de Newtoniaanse absolute ruimte en tijd en de tijdruimte van de relativiteitstheorie. In wezen hou je vast aan die absolute ruimte en die absolute tijd van de Newtoniaanse theorie, maar probeer je de uitkomsten van de relativiteitstheorie er in te vouwen. Daarom heb je het ook over het sneller of langzamer lopen van een klok in absolute zin, in plaats van ten opzichte van een specifieke meting met een andere klok in een ander referentiekader zoals in de relativiteitstheorie. Het is absoluut een vergissing om te denken dat de relativiteitstheorie zegt dat klokken langzamer lopen naarmate je harder beweegt. Dit is geheel in tegenspraak met het principe waarop die theorie gebouwd is, dat je nu juist niet kunt zeggen dat een bepaalde waarnemer speciaal is ten opzichte van anderen. Tijddilatie is alleen een soort van ezelsbruggetje, maar zoals dat wel vaker is met ezelsbruggetjes leiden ze tot heel verkeerde antwoorden als je de achterliggende gedachte niet begrijpt.
Je probleem zit, ik herhaal het nog een keer, in de ruimte en tijd die je apart van elkaar kunt beschouwen in de Newtoniaanse theorie. Dat moet je los laten. Anders zit je precies in hetzelfde schuitje als de mensen die het nul resultaat van Michelson-Morley probeerden te verklaren voor de komst van de relativiteitstheorie. Ieder interval heeft ruimte en iedere ruimte heeft een interval. Klokken en afstanden bestaan niet buiten die ruimtetijd. Het speciale verband daartussen is voor iedereen de lichtsnelheid ongeacht de beweging ten opzicht van elkaar. Gebruik dat en je zult zien dat relativiteitstheorie in wezen simpel is.
Dus kop op, je hebt misschien geen spectaculaire nieuwe natuurkunde gemaakt, maar je bent ook lang niet de enige die hier problemen mee heeft en daar zat 100 jaar geleden nog bijna de hele wereldbevolking bij.
Als ik het goed begrijp Rudeonline dan stel je ongeveer het volgende voor:
Je neemt een waarnemer. Je stelt dat de ruimte om hem heen zich met lichtsnelheid uitbreidt. In feite is dit de ruimte die hij ziet, waarover hij informatie kan hebben, niet de ruimte zelf. Maar goed laten we hier even in mee gaan. Je zegt dan dat iets wat meebeweegt met die uitdijende ruimte dus eigenlijk niet beweegt maar absoluut stil staat. De waarnemer waar we het in het begin over hadden blijft dus achter met lichtsnelheid. In welke richting hij precies achterblijft hangt er van af ten opzichte van welk punt op die uitdijende bol je het over hebt.
Laten we nu zeggen dat je een andere waarnemer hebt die in de richting van een bepaald punt op die bol beweegt met een bepaalde snelheid van de eerste waarnemer af. Nu stel jij je eigenlijk voor dat je een touw kunt vastmaken aan dat punt op die bol en dat beide waarnemers dat gedaan hebben en dan kijken hoe snel ze het touw zien vieren. De waarnemer die in de richting van het eerdergenoemde punt op de ruimtebol beweegt (maar er wel steeds verder vandaan raakt, omdat dat punt zich sneller beweegt) viert dus minder touw uit dan de waarnemer die stil zit in het centrum van de bol. Nu neem je verder aan dat beide waarnemers in een absolute tijd zitten (je hebt het simpelweg over een klok die harder of zachter loopt dan die van de ander).
Wanneer beiden dan zeggen dat het touw met de lichtsnelheid uitgevierd wordt zoals blijkbaar het geval moet zijn (dat accepteer je tenminste wel), zeg jij dus dat hun klokken evenredig harder of zachter lopen, zodat ze die constante snelheid zien. Ook zitten ze beiden in een absolute ruimte omdat ze de touwen simpel naast elkaar kunnen houden. Zelfs in dit simpele geval is al duidelijk te zien dat je ongelijk hebt, omdat je denkbeeldige tijddilatatie simpelweg evenredig zou moeten zijn met de snelheid van de waarnemer die in de richting van het punt op de bol vliegt. Zoals uit de Lorentz transformatie blijkt is, is deze factor evenredig met (1/(1-v*v))^0.5 en dat is dus een hele andere dilatatie. En dan hebben we het nog niet eens over de problemen die opdoemen met meerdere waarnemers in verschillende richtingen.
Het probleem dat je hebt, Rudeonline, is dat je verdwaald bent tussen de Newtoniaanse absolute ruimte en tijd en de tijdruimte van de relativiteitstheorie. In wezen hou je vast aan die absolute ruimte en die absolute tijd van de Newtoniaanse theorie, maar probeer je de uitkomsten van de relativiteitstheorie er in te vouwen. Daarom heb je het ook over het sneller of langzamer lopen van een klok in absolute zin, in plaats van ten opzichte van een specifieke meting met een andere klok in een ander referentiekader zoals in de relativiteitstheorie. Het is absoluut een vergissing om te denken dat de relativiteitstheorie zegt dat klokken langzamer lopen naarmate je harder beweegt. Dit is geheel in tegenspraak met het principe waarop die theorie gebouwd is, dat je nu juist niet kunt zeggen dat een bepaalde waarnemer speciaal is ten opzichte van anderen. Tijddilatie is alleen een soort van ezelsbruggetje, maar zoals dat wel vaker is met ezelsbruggetjes leiden ze tot heel verkeerde antwoorden als je de achterliggende gedachte niet begrijpt.
Je probleem zit, ik herhaal het nog een keer, in de ruimte en tijd die je apart van elkaar kunt beschouwen in de Newtoniaanse theorie. Dat moet je los laten. Anders zit je precies in hetzelfde schuitje als de mensen die het nul resultaat van Michelson-Morley probeerden te verklaren voor de komst van de relativiteitstheorie. Ieder interval heeft ruimte en iedere ruimte heeft een interval. Klokken en afstanden bestaan niet buiten die ruimtetijd. Het speciale verband daartussen is voor iedereen de lichtsnelheid ongeacht de beweging ten opzicht van elkaar. Gebruik dat en je zult zien dat relativiteitstheorie in wezen simpel is.
Dus kop op, je hebt misschien geen spectaculaire nieuwe natuurkunde gemaakt, maar je bent ook lang niet de enige die hier problemen mee heeft en daar zat 100 jaar geleden nog bijna de hele wereldbevolking bij.