door Brinx » ma 25 sep 2006, 23:17
Er kwam mij ter ore dat deze discussie nog niet volledig was gevoerd - en zo wekken we 'm gewoon weer tot leven.

Om een lang verhaal kort te maken (of eigenlijk om het lange verhaal aan iemand anders over te laten) is hier een verhandeling over het fenomeen waar deze discussie om draait:
http://www.larry.denenberg.com/earliest-sunset.html
De aanvankelijke verwarring ontstond, in het kort geformuleerd, naar aanleiding van de vraag waarom de laatste zonsopgang en de vroegste zonsondergang niet plaatsvinden op de kortste dag van het jaar, maar later respectievelijk eerder in het jaar ten opzichte van de korste dag (21 december). Wellicht ten overvloede nog een korte samenvatting van de link die ik hierboven postte:
We definieren een 'zonnedag' (solar day) als de tijdsduur die verstrijkt van de tijd dat de zon op zijn hoogst aan de hemel staat op een bepaalde dag (en een bepaalde plaats op aarde) tot de tijd waarop de zon voor de volgende keer op zijn hoogst staat. Een zonnedag zou altijd even lang zijn wanneer de aardas loodrecht op het baanvlak van de aarde rond de zon zou staan en de aarde een perfecte cirkelbaan rond de zon zou beschrijven. Maar dit is allebei niet het geval! Welke effecten levert dat op? Allereerst het effect dat volgt uit het niet loodrecht staan van de aardas op het baanvlak van de aarde rond de zon. Dit leidt zoals bekend tot de seizoenen, maar er volgt nog wat meer uit. Wanneer de aarde alleen rond de zon zou draaien en niet rond zijn eigen as (maar de aardas wel 23.5 graden uit het lood staat), beschrijft het 'subsolar point' (ik heb zo geen Nederlandse vertaling van deze term voorhanden, maar ik bedoel het punt op aarde vanaf waar je de zon recht boven je hoofd ziet staan: dit is een uniek punt voor een gegeven moment) een volledige grootcirkel over het aardoppervlak: bij benadering een sinusvorm als je het op een (mercator) wereldkaart projecteert. De snelheid die dat 'subsolar point' heeft is overal langs die grootcirkel even groot in dat geval. En die snelheid is in de loop van een jaar (dat in deze hypothetische situatie even lang duurt als een dag!) niet altijd mooi pal oostwaarts gericht: twee keer per jaar is dat wel zo, namelijk tijdens de zomer- en de winterzonnewende. Je ziet dat, in deze situatie met een aarde die een cirkelbaan beschrijft en niet om zijn eigen as draait, de oostwaartse snelheid van het subsolar point (wanneer uitgedrukt in lengtegraden per seconde, bijvoorbeeld) niet constant is. Als we dit effect combineren met de andere hypothetische situatie (waarin de aarde een cirkelbaan beschreef en 'rechtop' stond), dan zien we dat als gevolg van de schuine stand van de aardas de lengte van een zonnedag varieert door het jaar heen. Dit effect op zich leidt echter niet tot de asymmetrie die opgemerkt werd door Dalton in zijn openingspost.
Door de eccentriciteit van de aardbaan heeft de aarde niet altijd dezelfde snelheid wanneer deze zijn baan rond de zon beschrijft. In het aphelium (grootste afstand aarde-zon) heeft de aarde een lagere baansnelheid dan in het perihelium, en dit effect zou op zich, wanneer we de schuine stand van de aardas negeren, juist zorgen dat de zonnedag korter is in het aphelium dan in het perihelium. Deze variatie is echter klein vergeleken met de variatie in zonnedaglengte die ontstaat door de schuine stand van de aardas.
Omdat het perihelium van de aarde (het punt waarop de aarde zijn kleinste afstand tot de zon bereikt bij het volgen van zijn elliptische baan) niet ten tijde van de winterzonnewende bereikt wordt maar enkele weken later, introduceert dit effect de asymmetrie in de zonsopgangs- en zonsondergangstijden die aanleiding gaven tot de vraag van Dalton.
Hoe ik het geschreven heb is het een nogal warrig verhaal denk ik, maar in de link worden helderdere bewoordingen gebruikt. Let vooral op puntje [5] onderaan de tekst!
Er kwam mij ter ore dat deze discussie nog niet volledig was gevoerd - en zo wekken we 'm gewoon weer tot leven. :) Om een lang verhaal kort te maken (of eigenlijk om het lange verhaal aan iemand anders over te laten) is hier een verhandeling over het fenomeen waar deze discussie om draait:
[url=http://www.larry.denenberg.com/earliest-sunset.html]http://www.larry.denenberg.com/earliest-sunset.html[/url]
De aanvankelijke verwarring ontstond, in het kort geformuleerd, naar aanleiding van de vraag waarom de laatste zonsopgang en de vroegste zonsondergang niet plaatsvinden op de kortste dag van het jaar, maar later respectievelijk eerder in het jaar ten opzichte van de korste dag (21 december). Wellicht ten overvloede nog een korte samenvatting van de link die ik hierboven postte:
We definieren een 'zonnedag' (solar day) als de tijdsduur die verstrijkt van de tijd dat de zon op zijn hoogst aan de hemel staat op een bepaalde dag (en een bepaalde plaats op aarde) tot de tijd waarop de zon voor de volgende keer op zijn hoogst staat. Een zonnedag zou altijd even lang zijn wanneer de aardas loodrecht op het baanvlak van de aarde rond de zon zou staan en de aarde een perfecte cirkelbaan rond de zon zou beschrijven. Maar dit is allebei niet het geval! Welke effecten levert dat op? Allereerst het effect dat volgt uit het niet loodrecht staan van de aardas op het baanvlak van de aarde rond de zon. Dit leidt zoals bekend tot de seizoenen, maar er volgt nog wat meer uit. Wanneer de aarde alleen rond de zon zou draaien en niet rond zijn eigen as (maar de aardas wel 23.5 graden uit het lood staat), beschrijft het 'subsolar point' (ik heb zo geen Nederlandse vertaling van deze term voorhanden, maar ik bedoel het punt op aarde vanaf waar je de zon recht boven je hoofd ziet staan: dit is een uniek punt voor een gegeven moment) een volledige grootcirkel over het aardoppervlak: bij benadering een sinusvorm als je het op een (mercator) wereldkaart projecteert. De snelheid die dat 'subsolar point' heeft is overal langs die grootcirkel even groot in dat geval. En die snelheid is in de loop van een jaar (dat in deze hypothetische situatie even lang duurt als een dag!) niet altijd mooi pal oostwaarts gericht: twee keer per jaar is dat wel zo, namelijk tijdens de zomer- en de winterzonnewende. Je ziet dat, in deze situatie met een aarde die een cirkelbaan beschrijft en niet om zijn eigen as draait, de oostwaartse snelheid van het subsolar point (wanneer uitgedrukt in lengtegraden per seconde, bijvoorbeeld) niet constant is. Als we dit effect combineren met de andere hypothetische situatie (waarin de aarde een cirkelbaan beschreef en 'rechtop' stond), dan zien we dat als gevolg van de schuine stand van de aardas de lengte van een zonnedag varieert door het jaar heen. Dit effect op zich leidt echter niet tot de asymmetrie die opgemerkt werd door Dalton in zijn openingspost.
Door de eccentriciteit van de aardbaan heeft de aarde niet altijd dezelfde snelheid wanneer deze zijn baan rond de zon beschrijft. In het aphelium (grootste afstand aarde-zon) heeft de aarde een lagere baansnelheid dan in het perihelium, en dit effect zou op zich, wanneer we de schuine stand van de aardas negeren, juist zorgen dat de zonnedag korter is in het aphelium dan in het perihelium. Deze variatie is echter klein vergeleken met de variatie in zonnedaglengte die ontstaat door de schuine stand van de aardas.
Omdat het perihelium van de aarde (het punt waarop de aarde zijn kleinste afstand tot de zon bereikt bij het volgen van zijn elliptische baan) niet ten tijde van de winterzonnewende bereikt wordt maar enkele weken later, introduceert dit effect de asymmetrie in de zonsopgangs- en zonsondergangstijden die aanleiding gaven tot de vraag van Dalton.
Hoe ik het geschreven heb is het een nogal warrig verhaal denk ik, maar in de link worden helderdere bewoordingen gebruikt. Let vooral op puntje [5] onderaan de tekst!